Column O. Naphta

Column O. Naphta

Hoe het dorp nooit verdween

Waar heb ik allemaal gewoond? In een klein dorp, in een groter dorp met nieuwe villa’s, in een na 1960 volledig gesuburbaniseerd dorp, in een voormalig door de grote stad geannexeerd dorp dat uitgroeide tot een van de aantrekkelijkste stadsdelen waar de ouderen (nu negentig-plussers) nog altijd zeiden ‘even naar het dorp’ als ze om een boodschap gingen, in een middelgrote stad die ouder is dan Amsterdam, in een Hanzestad, in een provinciehoofdstad, in een grote stad met een wereldnaam en in een jonge stad zonder hart die als laatste der steden nog van Napoleon stadsrechten verkreeg - tijdens de inlijving dus. De Corsicaan schonk er geen recht op stedelijkheid bij. 

Stad en dorp zijn geografische, economische en sociale fenomenen die we in ons vak    
onderscheiden met behulp van criteria. Waarmee verdienen de bewoners hun brood? Wat is de bebouwingsdichtheid? Welke voorzieningen zijn er, dorpshuis of stadsschouwburg, friteskot of sterrenrestaurant? Is de bewoner onderworpen aan strenge sociale controle of geniet hij vrijmakende stadslucht? Ik heb nooit lang genoeg ergens gewoond om wortel te schieten, om sociale controle te proeven of te ervaren dat stadslucht werkelijk vrijmaakt. Ervan afgezien of ik gevoelig ben voor zulke zaken. Wat ik overal heb meegemaakt is doorsnee, voorzichtige vragen naar bijwoning van deze of gene bijeenkomst in kerkelijk verband, sociaal verband of in gezamenlijk politiek verband toen bijvoorbeeld een van mijn woondorpen door de stad geannexeerd dreigde te worden. Ik werkte in die stad aan uitbreidingsplannen voor na de annexatie, plannen die trouwens na een halve annexatie uitgevoerd zijn. Door het vele verhuizen heb ik talrijke geboren, getogen en gebleven grootstedelingen als provinciaal ervaren, soms dorps. 

Al decennia wordt beweerd dat het onderscheid tussen de stad en het platteland is verdwenen. Het platteland is deels verstedelijkt naar inkomstenbronnen, consumptiepatroon en mentaliteit. Toch blijven er grote, tastbare verschillen. Een bloeiend boerenbedrijf is een doorgaans groter en kapitaalsintensiever onderneming dan het gros van de bedrijven in de stad, de talrijke winkels, kindercrèches en hoogwaardige dienstverleners zoals artsen, notarissen en advocaten. Ik herinner me van de bewuste grenswijzigingsstrijd dat hét dorpsargument was dat het bestuur dichter bij de burger zou staan. Ik heb het tegendeel ervaren. Nooit stonden bestuur en burgers zo ongezond dicht bij elkaar als tijdens de stadsvernieuwing in de jaren zeventig en tachtig. Er is immers afstand nodig om beslissingen op lange termijn te nemen die de enkeling in zijn persoonlijke belang treffen. Hoe kleiner de afstand des te moeilijker zulke besluiten kunnen worden genomen, zo ze niet uitblijven.


In sociaal opzicht zijn steden opgetrokken uit bloeiende  buurten me t een intensieve sociale controle door familiegroepen en groepen immigranten van gelijke herkomst en uit buurten waar mensen met hoge(re) opleidingen beleefd en op gepaste sociale afstand wonen. Manifeste problemen zijn er zo op het eerste gezicht niet. Deze mensen kunnen hun eigen broek ophouden, zegt de wethouder dan. Ik woonde in zo’n buurt en vond het een esthetische winstpunt dat iedereen inderdaad z’n broek ophield. 

Nu is het dorp dan overal, gegoten in internet, Pad en Pod. Marshall McLuhan zag het aankomen en sprak van global village (1959). Hij vertelde ons een paar jaar later dat het medium belangrijker zou worden dan de boodschap. TwitFace is de nieuwe vorm van het dorpsmedium, het halletje in het postagentschap, de winkel waar de kruidenier anderhalf pond maïzena afweegt. De boodschap van het massamedium is gelijk het effect, samengevat: kuddegedrag. Niemand wil immers opvallen, afwijkingen worden afgestraft, zeker door jongeren die allemaal hetzelfde rugzakje dragen. De sociaal controlerende roddel is minstens zo venijnig als die van toen achter de geraniums en naar ik vermoed veel effectiever.

Leve ons dorp.