artikel
14 min.

Amsterdam(mers) als de Ander

Wethouder Treumann geeft startsein voor de eerste bus naar Almere vanaf Frederiksplein, Amsterdam (Bron: Nationaal Archief, R. Bogaerts/Anefo)

Almere en Amsterdam zijn op meer dan één manier met elkaar verweven: niet alleen via wonen, werken en bestuur, maar ook sociaal. Amsterdam vormt voor Almere een referentiekader voor hoe de stad zichzelf begrijpt: het is zowel een wens- als een schrikbeeld. Dat is juist bij Almere opvallend. De stad ontstond als een tabula rasa op het nieuwe land, maar ontwikkelde zich nooit als een geïsoleerd eiland.

Almere werd ontworpen in relatie tot Amsterdam, maar moest gelijktijdig een zelfstandige stad worden. Deze dubbele verhouding heeft Almere decennialang gevormd. Dit artikel onderzoekt hoe Amsterdam als sociaal en symbolisch referentiepunt door de tijd van karakter verandert, en wat dat zegt over de afhankelijkheid van nieuwe steden ten opzichte van hun donorsteden.

Een representatief beeld van ‘de Almeerder’ is lastig vast te stellen. Kwantitatieve demografische gegevens tonen veranderingen in de bevolkingssamenstelling en herkomst van bewoners, en maken verschuivingen in de relatie tussen Almere en Amsterdam cijfermatig zichtbaar. Daarnaast zijn kwalitatieve studies uit verschillende perioden naast elkaar gelegd, waarin Almeerders hun ervaringen en relatie met Amsterdam verwoorden. Deze interviews zijn niet representatief, maar zijn bij uitstek geschikt om de leefwereld van Almeerders, de diversiteit in hun perspectieven en de ontwikkeling daarvan door de tijd heen in kaart te brengen.

Significant other

Net als bij het bestuurlijke verhaal in deze serie wordt ook hier is het concept significant ander gebruikt om de relatie tussen Almere en Amsterdam te duiden.

Verheul (2012) betoogt dat stedelijke identiteit onder andere ontstaat uit de manier waarop bewoners hun stad in het dagelijks leven ervaren en betekenis geven. Individuen ontwikkelen hun identiteit door zich aan anderen te spiegelen, via identificatie én afzetting. Stedelijke identiteit komt dus niet alleen voort uit interne kenmerken, maar juist uit de manier waarop een stad, en haar inwoners, zich verhouden tot andere steden. Die verhouding krijgt concreet vorm in het dagelijks leven en de betekenisgeving van bewoners. Die verhouding is niet eenduidig: zij omvat zowel navolging als verzet.

Voor Almeerders fungeert Amsterdam als significante ander op meerdere niveaus: als herkomststad, als stedelijk schrikbeeld, als netwerkstad waar veel sociale relaties zijn, als referentiestad voor cultuur en stedelijke voorzieningen, als werkstad en als symbolische maatstaf waartegen Almeerders zich voortdurend afzetten en spiegelen. Op sociaal vlak leidt dit, net als op bestuurlijk vlak, tot een paradox van verbondenheid en onderscheid: bewoners geven betekenis aan Almere op basis van Amsterdam.

Juist in de context van een nieuwe stad als Almere krijgt dit concept een specifieke lading. De eerste generatie inwoners is grotendeels afkomstig uit Amsterdam en draagt die stad met zich mee. De ‘significante ander’ is hier dus niet alleen een externe referentie, maar ook onderdeel van de persoonlijke geschiedenis van bewoners. Naarmate Almere ouder wordt en er ook nieuwe generaties worden geboren, verandert die relatie en ontwikkelt Almere interne referentiekaders.

In bredere zin raakt dit artikel ook aan sociologische debatten over de ‘geplande’ versus de ‘geleefde’ stad (zie bijvoorbeeld Reijndorp, 2019). Nieuwe steden hadden nadrukkelijk een sociale agenda: in de stadsontwikkeling lagen ideeën besloten over hoe bewoners zouden wonen, elkaar ontmoeten en samenleven. Dit artikel maakt zichtbaar hoe bewoners daarentegen zélf vorm en betekenis gaven aan deze voor hun ontworpen omgeving.

Amsterdam als herkomststad

Almere ontstond als groeikern voor de overloop uit de noordvleugel van de Randstad, in het bijzonder Amsterdam en het Gooi. In de praktijk ging het vooral om Amsterdammers. Figuur 1 bevestigt deze dominantie: Amsterdam bleef de belangrijkste herkomstregio, hoewel het aandeel nieuwe inwoners uit de rest van Nederland en het buitenland geleidelijk toenam. Ook de instroom zelf veranderde: aanvankelijk vooral jonge gezinnen uit stadsvernieuwingswijken en de Westelijke Tuinsteden, later aangevuld met gezinnen uit Zuid-Oost en uiteindelijk een bredere groep Amsterdammers op zoek naar betaalbare woningen (Sako et al., 2019).

Die sterke Amsterdamse instroom is in de eerste jaren van de stad ook op sociaal vlak terug te zien. Het verhuismotief van de eerste bewoners is primair woontechnisch: de overstap naar Almere biedt de mogelijkheid tot het ideaal van een ruimere woning, vaak een eengezinshuis met tuin. Deze keuze wordt expliciet gemaakt in vergelijking met de bestaande woonsituatie in Amsterdam (Haperen & Scheek, 1976). Die vergelijking blijft ook in latere studies dominant (Geluk, 1985) en wordt zelfs verbreed: niet alleen de woning, maar ook de woonomgeving en de ervaren achteruitgang van Amsterdamse buurten vormen onderdeel van dit contrast. Het ervaren wooncomfort in Almere krijgt daarmee vooral betekenis in relatie tot de situatie die men in Amsterdam heeft verlaten. Amsterdam fungeert in die zin voor respondenten als directe ervaringsreferentie.

Deze relationele waardering zet zich voort in het dagelijks leven. Verschillende onderzoeken uit de vroege jaren tachtig laten zien dat veel Almeerders regelmatig terugkeren voor familiebezoek, vaak gecombineerd met winkelen en uitgaan (Miltenburg & Weezenaar, 1979; Groenestein et al., 1981; Haperen 1982). Deze terugkeer is deels geworteld in bestaande sociale netwerken, maar hangt ook samen met het beperkte voorzieningenniveau dat zij ervaren in Almere. Voor niet-dagelijkse voorzieningen en stedelijk vertier blijven bewoners sterk op Amsterdam aangewezen. Juist de ‘drukte’ en ‘gezelligheid’ van de hoofdstad worden daarbij expliciet genoemd als kwaliteiten die in Almere worden gemist. Specifiek geïnterviewde groepen, zoals jongeren en huisvrouwen, benadrukken het gemis aan levendigheid in Almere ten opzichte van Amsterdam (Groenstein et al., 1981; Ziekman, 1982).

Tegelijk geven respondenten aan dat hun contacten buiten Almere weliswaar afnemen, maar van groot belang blijven. Binnen Almere ontstaan nieuwe contacten, maar deze worden vaak als minder hecht ervaren dan de netwerken in Amsterdam (Groenestein et al, 1981; Van Haperen;1982). Daarmee blijft de oude stad impliciet het referentiepunt, zowel voor voorzieningen, stedelijk leven als voor sociale kwaliteit.

Ook in onderzoek naar de vestiging van migrantengroepen in Almere (Mulder, 1983) blijft Amsterdam het centrale referentiepunt. Voor Surinaamse en Antilliaanse respondenten uit stadsvernieuwingsgebieden en de Bijlmer vormt juist de negatieve woonervaring, op gebied van woning en woonomgeving, in Amsterdam de directe aanleiding om te vertrekken.  Dit wordt expliciet tegenover het woonideaal in Almere geplaatst. Tegelijkertijd blijft Amsterdam ook een positief referentiepunt voor het functioneel en sociaal stedelijk leven. De nabijheid van de hoofdstad weegt zwaar mee in de verhuisbeslissing, terwijl sociale netwerken en specifieke voorzieningen, zoals winkels en uitgaansmogelijkheden, grotendeels daar blijven (Mulder, 1983).

In een kwalitatief verkiezingsonderzoek uit 1984 komt de ambivalente houding ten opzichte van Amsterdam scherp naar voren (Veldkamp Marktonderzoek, 1984). Respondenten geven aan naar Almere te zijn verhuisd vanwege het woonideaal van rust, ruimte en comfort: kwaliteiten die zij in Amsterdam juist ontberen. De hoofdstad fungeert daarmee als negatief spiegelbeeld: datgene waar Almere nadrukkelijk niet op moet gaan lijken. Tegelijk spreken zij de expliciete vrees uit dat Almere “dezelfde problemen” als Amsterdam zal krijgen. Deze afgrenzing gaat samen met een blijvende oriëntatie op Amsterdam. Voor werk, familie en consumptie geven respondenten sterk op de hoofdstad gericht te zijn. Dat beeld wordt ook in figuur 2 bevestigd: een groot deel van de werkzame bevolking werkt in Amsterdam. Almere heeft daarmee in deze fase duidelijk het karakter van een slaapstad.

Nieuwe steden ontstaan weliswaar fysiek uit het niets, maar hun sociale leven niet. In termen van sociale identiteit fungeert Amsterdam in deze fase duidelijk als een ‘significant other’: Almeerders definiëren hun nieuwe woonomgeving in directe relatie tot hun eerdere ervaringen. In Almere is dat mechanisme uitzonderlijk goed zichtbaar. Doordat lokale referenties aanvankelijk ontbreken, krijgt Amsterdam een centrale positie als maatstaf waartegen bewoners het wonen in een nieuwe stad betekenis geven, zowel positief als negatief.

Ondanks de ideeën van planners over leven in Almere, maken deze kwalitatieve onderzoek zichtbaar hoe bewoners, onder andere door alledaagse routines en verplaatsingen, zelf betekenis en vorm geven aan de stad.

Verschuivende verhoudingen

Vanaf de jaren ’90 verandert het Almeerse perspectief op Amsterdam, in samenhang met het ouder worden van de stad en haar inwoners. Bewoners bouwen binnen Almere wooncarrières, zien een nieuwe generatie Almeerse kinderen opgroeien en lokale netwerken ontstaan geleidelijk.

Aanvankelijk blijft de dubbele houding herkenbaar: in een onderzoek naar verhuisstromen uit de Bijlmer, plaatsen de respondenten met Surinaamse achtergrond net als bij Mulder (1983) het woonideaal in Almere, een ruimere woning met tuin,  expliciet tegenover hun eerdere woonervaringen in de Bijlmer. Ook hier wordt de ervaren achteruitgang van de woonomgeving in Amsterdam als belangrijk vertrekmotief genoemd (De Groot, 2004). Tegelijk blijft ook een positieve referentie bestaan: sociale contacten blijven in Amsterdam, respondenten ervaren het voorzieningenniveau in Almere als beperkter en benadrukken opnieuw dat de nabijheid van Amsterdam een reden was om voor Almere te kiezen.

Ook in het onderzoek van Nio (2016) naar het dagelijks leven in Almere, wordt deze ambivalentie weer zichtbaar. Respondenten waarderen de Almeerse woonomgeving, maar bezoeken Amsterdam voor sfeer en culturele voorzieningen. Figuur 2 laat bovendien zien dat in deze periode een belangrijk deel van Almeerders buiten de stad werkt, en vooral in Amsterdam. Almere verschijnt daarmee nog vaak als functioneel woonalternatief, wat het beeld van de stad als ‘slaapstad’ bevestigt.

In deze periode wordt ook de figuur van de ‘Amsterdammer’ een belangrijke referentie. In een interview uit 2004 over de verhuisstroom wordt de zorg uitgesproken dat Almere geen ‘tweede Bijlmer’ mag worden, waarbij de geïnterviewde vreest dat de komst van Amsterdammers uit Zuid-Oost zorgt voor een, in diens ogen ongewenst, eenzijdige bevolkingssamenstelling (Nul20, 2004). Een studie naar verhuizers uit de Bijlmer laat echter een wederzijdse verbeelding zien: verhuizen naar Almere wordt gezien als sociale stijging. Zij zijn in Almere zelf een negatieve sociale referentie, terwijl zij voor hun voormalige buren in Amsterdam worden gezien als elite en symbool staan voor vooruitgang (De Groot, 2004).

In Metaal & Reijndorp (2013) wordt de instroom van Amsterdammers door respondenten gekoppeld aan overlast en buurtverandering, waarin vooral de Bijlmer geassocieerd wordt met ongewenste stedelijke ontwikkeling. Daarbij draait het volgens respondenten om gedrag: een onderscheid tussen ‘behoorlijke’ bewoners (zijzelf) en anderen die de buurtorde verstoren, vaak geassocieerd met Amsterdammers. Ook bij Nio (2016) wordt dit zo genoemd. Daar associëren respondenten uit een hoger inkomenssegment ongewenste anderen met Amsterdammers. In beide onderzoeken fungeert de Amsterdammer daarbij als een ‘significant other’: een sociale categorie waartegen bewoners hun eigen positie en identiteit afzetten.

De vergelijking verschuift daarmee van concrete woonervaringen naar beelden van leefstijl en sociale positie, waarbij de ‘Amsterdammer’ als sociale categorie dient om de eigen positie te definiëren. Dit proces wordt ook wel ‘othering’ genoemd.

Tegelijkertijd tonen Deben en Schuyt (2000) in hun onderzoek naar sociale cohesie dat de Almeerse ontwikkeling niet volledig kan worden begrepen vanuit de relatie met Amsterdam. Hun respondenten creëren zelf nieuwe referentiekaders binnen Almere. Er ontstaan wel degelijk netwerken, hoewel die, volgens de auteurs en hun respondenten, niet leiden tot een hechte gemeenschap: bewoners lijken naast elkaar te leven met beperkte onderlinge binding.

De binding aan Almere blijkt bovendien sterk samen te hangen met levensfase en wooncarrière. Bewoners bewegen zich in Almere via interne verhuizing en sociale stijging (Deben & Schuyt, 2000; Van der Steeg, 2022; Nio, 2016). Juist het veelvuldige doorverhuizen binnen Almere, speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van nieuwe referentiekaders: bewoners vergelijken hun situatie daardoor niet alleen met Amsterdam, maar ook met eerdere woonlocaties binnen Almere.

Hoewel Amsterdam een functionele en sociale oriëntatie blijft voor Almeerders, ontwikkelt Almere zich óók als een stad waarin bewoners zélf hun eigen nieuwe referenties produceren.

Almere zelfstandig?

In de meest recente periode, tekent zich een kentering af. Onderzoeken laten zien dat Almere steeds meer een eigen leefwereld is via voorzieningen, netwerken en meerdere generaties Almeerders.

Al in het onderzoek van Nio (2016) was te zien dat de band met de stad van herkomst verzwakte en een lokaal netwerk van familie, vrienden en eerdere contacten in Almere ontstond. Ook respondenten uit Metaal & Reijndorp (2013) bevestigen dat Almere een steeds sterkere eigen sociale infrastructuur heeft ontwikkeld. De respondenten in het onderzoek van Van der Steeg naar woningverbetering laten zien dat er, zij het wisselend, sociale contacten zijn met buren vanuit onder meer pragmatische redenen: bijvoorbeeld voor praktische hulpvragen rondom de woning, of omdat buren gezamenlijk iets moeten opknappen in een rijtjeswoning (2022). Dit kan echter ook leiden tot conflict. In beide gevallen speelt het lokale sociale netwerk een essentiële rol.

Het van Metaal uit 2024 toont een nog sterkere verankering: het netwerk in Almere zelf – familie, vrienden, buren, oud-buren en doorverhuizers – is een van de belangrijkste redenen om in de stad te blijven.

Daarmee zet Metaal een klassieke veronderstelling onder druk, zoals verwoord door onder meer Deben en Schuyt (2000) en Drosterij en Boogers (2012). Zij betogen dat nieuwe steden per definitie zwakke sociale netwerken hebben door een constante instroom aan nieuwe inwoners, die ook weer doorverhuizen. Hierdoor is er geen sterke basis voor het ontstaan van een sociaal netwerk, omdat niemand er lang woont. Bovendien zijn de bewoners vaak sterk op andere steden georiënteerd voor sociale en werkgerelateerde zaken. Ook dit bemoeilijkt het ontstaan van een sterke sociale basis.

Metaal (2024) ziet dat het vele doorverhuizen sociale relaties juist kan bestendigen en uitbreiden. Bewoners nemen relaties mee en bouwen ze verder uit, waardoor een intern gespreid en gelaagd netwerk ontstaat. Bovendien signaleert Metaal in zijn onderzoek dat er een grote groep ‘oorspronkelijke bewoners’ is die langdurig in de stad blijft, die cultuurbepalend zijn. Hij geeft aan dat deze groep in analyses en beleid doorgaans over het hoofd wordt gezien, terwijl zij juist een vorm van continuïteit en een sociale structuur in de stad vertegenwoordigen (Metaal, 2024).

Juist door de leefwereld van Almeerders centraal stellen ontstaan andere perspectieven, wat duidelijk maakt dat er geen eenduidige werkelijkheid bestaat: de sociale structuur van Almere laat zich vanuit meerdere invalshoeken begrijpen, maar wordt sterk beïnvloed door de keuzes en routines van mensen zelf.

In dat licht krijgen ook de demografische ontwikkelingen een andere betekenis (figuur 3). In 1995 was slechts 8% van de Almeerse bevolking in de stad zelf geboren, tegenover 42% in Groot-Amsterdam. In 2018 zijn deze verhoudingen dichter naar elkaar toe gegroeid: 22% van de Almeerders is dan in Almere geboren, tegenover 27% in Groot-Amsterdam. Deze ontwikkeling wijst niet automatisch op sterkere netwerken, maar wel op het ontstaan van een generatie waarvoor Almere zelf de primaire woonervaring vormt. Voor deze groep kan Amsterdam geen directe woonervaringsreferentie zijn. Overigens kunnen bewoners zich ook zonder directe woonervaring in de hoofdstad verhouden via werk (zie figuur 2) of sociale relaties.

Zowel Deben & Schuyt (2000) als Metaal (2024) wijzen op het groeiende belang van een generatie die in Almere is opgegroeid. Waar Deben & Schuyt spreken van een toenemende ‘habituele binding’ onder starters en jongeren die lokaal zijn geworteld, laat Metaal zien dat juist deze groep uitgebreide netwerken ontwikkelt binnen de stad, mede doordat zij door verhuizing in verschillende wijken hebben gewoond. Daarmee wordt zichtbaar dat de opkomst van in Almere geboren bewoners ook lijkt te wijzen op het ontstaan van een intern gewortelde generatie, voor wie de stad zelf het primaire referentie- en netwerkpunt vormt.

Een vergelijkbare verschuiving is zichtbaar bij de groeiende groep Almeerders met een migratieachtergrond. Voor een groeiende groep geldt dat zij niet meer via de hoofdstad naar Almere komen: demografische gegevens tonen aan dat het aandeel inwoners dat in het buitenland is geboren toeneemt, terwijl tegelijkertijd de directe instroom uit het buitenland groeit (figuur 1 en 3). Hun referentiekader wordt daardoor waarschijnlijk minder direct door Amsterdam bepaald, maar tegelijkertijd is het aannemelijk, gezien de regionale arbeidsmarktstructuur, dat een deel van de groep in of rond Amsterdam werkt, waardoor functionele oriëntaties blijven bestaan, ook zonder directe woonervaring.

Ook in andere opzichten verschuift het referentiekader. Respondenten in Metaal (2024) ervaren grootstedelijke problematiek (drukte, onveiligheid, verkamering) als een interne Almeerse ontwikkeling. Het contrast tussen een fijn huis in een prettige woonomgeving en stedelijke problematiek blijft bestaan, maar wordt dus minder via Amsterdam geframed. Almeerders associëren (groot)stedelijke problematiek steeds meer met Almere zelf. In plaats van Amsterdam wordt Almere zelf een schrikbeeld.

Ook de Amsterdammer wordt door de respondenten niet meer genoemd als de Ander waartegen zij zich afzetten. Zij richten zich op de arbeids- en kennismigranten en (tijdelijke) bewoners die, in hun ogen, ongewenst gedrag tonen en zich onttrekken aan het buurtleven. Hiermee impliceren de bewoners zelf dat zij de maatstaf zijn voor het tonen van gewenst gedrag.

De nadruk verschuift in recent onderzoek naar interne referenties en lokale netwerken. Hiermee lijkt de stedelijke identiteit van Almere in sterkere mate binnen de stad en door bewoners zelf te worden geproduceerd. Dit betekent echter niet dat de relatie met Amsterdam volledig verdwijnt. Er ontstaat een blijvende meerlagigheid: Almere is sociaal zelfstandig, maar blijft regionaal verweven met Amsterdam.

Conclusie

Bij de ontwikkeling van nieuwe steden ligt de nadruk vaak op het fysieke programma: aantallen woningen, voorzieningen en groei. De bevolking kan daarbij gemakkelijk als een planmatig te ordenen categorie verschijnen.

De ontwikkeling van Almere laat zien dat de sociale dimensie zich niet laat sturen. Ontwerpers, bestuurders en planners formuleren plannen en ambities, maar Almeerders brengen referentiekaders, netwerken en verwachtingen mee uit andere plaatsen en maken zich zo een bedachte stad in verschillende stadia op hun manier eigen.

Amsterdam fungeert daarbij lange tijd als ‘significant other’: eerst als directe ervaringsreferentie, later meer als symbolisch en sociaal ijkpunt. Onder invloed van interne mobiliteit, nieuwe generaties en lokale netwerken ontstaan vervolgens steeds meer referenties binnen Almere zelf. In die zin loopt de sociale ontwikkeling tot zelfstandigheid een ander pad dan de bestuurlijke ontwikkeling tot zelfstandigheid. De relatie met Amsterdam verdwijnt niet, maar verandert van vorm.

Nieuwe steden worden dus niet uitsluitend gemaakt, maar ontwikkelen zich ook in relatie tot andere steden én tot hun eigen interne dynamiek.

Bovendien vraagt de spanning tussen het ‘geplande’ en het ‘geleefde’, zeker in nieuwe steden, om een blijvend onderzoekende houding van planners, onderzoekers, ontwerpers en bestuurders naar de leefwereld van bewoners. Anders dreigt stedelijke ontwikkeling zich uitsluitend te baseren op aannames over bewoners, terwijl de geleefde werkelijkheid zich vaak anders ontwikkelt dan oorspronkelijk werd voorzien.

Website by HOAX Amsterdam