artikel
15 min.De kracht van onderop: coöperaties als dragers van plattelandsontwikkeling
De leefbaarheid van het platteland is in toenemende mate afhankelijk van gezamenlijke initiatieven van lokale gemeenschappen. Deze initiatieven worden zowel door overheden gestimuleerd als door bewoners zelf opgezet. In sommige gevallen groeien ze uit tot coöperaties: lokale samenwerkingsverbanden die, als maatschappelijke ondernemingen, voorzien in behoeften zoals sociale voorzieningen, duurzame energie en voedselproductie.
Voor veel plattelandsbewoners zijn het verlies van voorzieningen, de degradatie van het landschap en de afname van lokale ontwikkelingskracht reële zorgen. Door bezuinigingen, centralisatie en toegenomen mobiliteit is het aantal voorzieningen en lokale ondernemingen in het landelijk gebied sterk afgenomen (Rli, ROB & RVS, 2023). Demografische ontwikkelingen versterken dit proces: jongeren trekken weg, terwijl de bevolking vergrijst. Hierdoor neemt enerzijds het aanbod van werk en opleidingsmogelijkheden af, terwijl anderzijds de vraag naar nabijgelegen voorzieningen, zoals zorg, juist toeneemt (Meijer, 2026). Lokale overheden hebben vaak onvoldoende middelen om deze ontwikkelingen te keren. Tegelijkertijd zien we dat bewoners zelf initiatieven organiseren om deze leemte op te vullen.
Patsy Healey, planoloog en tot haar overlijden voorzitter van een gebiedscoöperatie (community trust), plaatst de opkomst van dergelijke maatschappelijke ondernemingen nadrukkelijk in de context van de afbouw van de verzorgingsstaat en neoliberale hervormingen (zie Healey, 2015). In die lezing worden deze initiatieven gezien als een reactie op terugtredende overheden. Tegelijkertijd benadrukt Healey dat maatschappelijke initiatieven niet alleen uit nood geboren zijn, maar ook een proactieve rol hebben: zij bieden ruimte voor experimenten met nieuwe vormen van dienstverlening, sluiten beter aan op lokale behoeften en kunnen bijdragen aan het versterken van de democratie.
Als collectieve ondernemingsvorm maken coöperaties grotere en langdurige projecten mogelijk
Sindsdien zijn zowel de noodzaak als de wens om bewonersinitiatieven te ontwikkelen verder toegenomen, met name in perifere plattelandsregio’s waar regionale ongelijkheid groeit (During et al., 2023; Meijer, 2026). In deze context zien we dat initiatieven steeds vaker opschalen naar coöperaties. Als collectieve ondernemingsvorm maken zij grotere en langdurige projecten mogelijk. Bewoners zijn daarbij niet alleen betrokken bij de uitvoering, maar ook bij besluitvorming en het delen van (maatschappelijke) opbrengsten. Tegelijkertijd bieden coöperaties ruimte voor nevenactiviteiten die deels of volledig uit eigen middelen worden gefinancierd. In die zin ontwikkelen zij zich tot belangrijke spelers in lokale ontwikkeling en worden zij, zoals Healey (2015, p. 12) stelt, ‘onderdeel van het lokale bestuurlijke landschap, zij het buiten de formele overheid’.
In het volgende deel worden drie plattelandscoöperaties besproken, met verschillende achtergronden en reikwijdtes. De beschrijvingen zijn gebaseerd op openbare bronnen, en – voor Nieuwleuzen en Mariënvelde – veldbezoeken door de auteur (zie ook Meijer & Melis, 2024; Meijer, 2024). Samen laten deze drie voorbeelden zien hoe deze initiatieven zich in de praktijk ontwikkelen tot structurele dragers van lokale ontwikkeling.
Nieuwleusen Synergie
Voor veel inwoners van Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel) waren de acht ‘Japanse’ windmolens een doorn in het oog (Nationaal Programma RES, n.d.). Ondanks bezwaren van omwonenden en een gang naar de Raad van State, zijn deze turbines geplaatst op de gemeentegrens met Zwolle – vier aan elke kant (Bosch, 2012). Nog steeds hekelt de buurt het gebrek aan overleg, en de scheve verdeling van lusten en lasten; met name sinds het windmolenpark is doorverkocht aan een Japans pensioenfonds. Toch lag er in hetzelfde een opgave om in hetzelfde gebied nog twee of drie turbines te plaatsen. Beseffend dat deze ontwikkeling onafwendbaar was, pakte een groep omwonenden de handschoen op (Rondhuis, 2025). Zij startten een werkgroep en onderzochten of nieuwe turbines in eigen beheer konden worden gerealiseerd. De werkgroepleden deden dit onbezoldigd en bouwden daarbij zelf de benodigde kennis en expertise op, mede via hun netwerk en onderlinge kennisuitwisseling. Door het park zelf te ontwikkelen en beheren, kregen bewoners zeggenschap over het project én een aandeel in de opbrengsten.
In 2012 werd vanuit de werkgroep de bewonerscoöperatie Nieuwleusen Synergie opgericht. Het doel luidde: ‘het ontwikkelen en exploiteren van een zelfvoorzienend Nieuwleusen voor een leefbare toekomst met gebruikmaking van duurzame energie en technieken’ (Nieuwleusen Synergie, n.d.). Vanaf het begin was het uitgangspunt dat inkomsten zouden terugvloeien naar de lokale gemeenschap: “deur ons, veur ons”.
Onder de projectnaam Veur de Wind werkte de coöperatie een plan uit voor twee grote turbines. Deze produceren samen 26 MWh per jaar, voldoende voor circa 8000 huishoudens (Veurdewind, n.d.). Voor de bouw was 12 miljoen euro nodig. Dit werd grotendeels gefinancierd via een investering van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, die op deze manier kans zag te voldoen aan haar doelstelling energieneutraal te zijn in 2025, en een lening van de ASN Bank (Waterschap Drents Overijsselse Delta, n.d.; Veuurdewind, n.d.). Inwoners van de gemeente Dalfsen zorgden voor de rest: 200 deelnemers investeerden samen € 450.000, tegen een netto rendement van 4,5% (Nieuwleusen Synergie, n.d.). Binnen het aangewezen zoekgebied werd de bouwlocatie vervolgens in nauw overleg met omwonenden bepaald. Zoals een bewoner zegt: ‘De coöperatie vroeg ons: zeg maar hoe jullie het willen hebben; voor zover mogelijk houden we daar rekening mee.’ (Nationaal Programma RES, n.d.). Daarnaast werd vastgelegd dat direct omwonenden een compensatie ontvangen, afhankelijk van hun afstand tot de turbines. Dit model de laatste tegenstanders overtuigd; in 2020 kon de bouw beginnen (Rondhuis, 2025).
De opbrengsten worden inmiddels op verschillende manieren geherinvesteerd, met als doel de gemeenschap verder te verduurzamen en de sociale veerkracht te versterken. Een 35-koppige ledenraad beslist hierover. Projectvoorbeelden zijn een kringloopwinkel (Deuroe Veuroe), een vervoersdienst voor ouderen (Haaloe Brengoe), een natuurboerderij, een voedselbos, glasvezel en schooltuinen. Daarnaast is vanuit de coöperatie een buurthulpteam van vrijwilligers opgezet. Voor kleine initiatieven is het Synergie Fonds opgericht, met subsidies tot € 1.000 voor projecten rond leefbaarheid en duurzaamheid.
Inmiddels is Nieuwleusen Synergie uitgegroeid tot een professionele vrijwilligersorganisatie met een bestuur en ledenraad. De coöperatie is bovendien een boegbeeld geworden voor lokale energieopwekking en ontvangt regelmatig geïnteresseerde bewonerscollectieven, gemeenteambtenaren en professionals (Nationaal Programma RES, n.d.). Dat ging niet vanzelf: in de beginjaren vergde het een fulltime inzet van de oprichters, die dit onbetaald en naast hun eigen baan deden (Rondhuis, 2025). Ook daarna bleven er uitdagingen. In 2022 moest een rotorblad worden vervangen en in het najaar van 2025 brak brand uit in een turbine – gelukkig was de coöperatie goed verzekerd en bleef Nieuwleusen voorzien van energie en inkomsten.
BMV Mariënvelde
Meer dan tien jaar geleden ontstond in Mariënvelde (gemeente Oost Gelre, Gelderland) de wens om een nieuw ontmoetingscentrum te realiseren en de verouderde accommodaties voor sportverenigingen te vervangen. Bewoners en verenigingen probeerden gezamenlijk plannen te ontwikkelen, maar strandden steeds op de financiering. Een doorbraak volgde in 2013, toen de wethouder aangaf dat financiering mogelijk was als zorgtaken aan het initiatief werden gekoppeld. Door veranderingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning werden gemeenten zelf verantwoordelijk voor de inkoop van passende zorg, en ontstond er de mogelijkheid voor lokale aanbesteding (Van Maanen, 2015).
De gemeenschap stond hiervoor open. De Achterhoek was in 2014 officieel aangemerkt als krimpregio en de gevolgen werden steeds zichtbaarder: vergrijzing, verlies van voorzieningen en het vertrek van jongeren, met grote gevolgen voor het verenigingsleven en de sociale cohesie (Omroep Gelderland, 2015). Voor de dorpelingen was de oplossing duidelijk: alleen behoud en uitbreiding van het voorzieningenaanbod zouden het tij kunnen keren (Meijer, 2014).
Zo ontstond de Brede Maatschappelijke Voorziening (BMV) Mariënvelde: een multifunctioneel gebouw met onder meer een gymzaal (ook voor de basisschool), een kantine, ruimtes voor sportverenigingen en zorgactiviteiten. Door deze functies te combineren kwam een efficiënte organisatie tot stand. De zorgtaken werden ondergebracht in een corporatie, waarmee de bouw en exploitatie van de BMV konden worden gefinancierd. De inwoners droegen bovendien bij via zelfbouw, sponsoring van de lokale aannemer en crowdfunding. In totaal ontving de BMV € 1,2 miljoen vanuit de gemeente, en bespaarde zij naar eigen zeggen bijna € 400.000 door de inzet van vrijwilligers (Omroep Gelderland, 2016).
Het bestuur van de stichting BMV Mariënvelde koos nadrukkelijk voor de oprichting van een zorgcorporatie: een sociaal bedrijf met centrale besluitvorming, zodat snel geschakeld kan worden. Hoewel beide organisaties nauw verbonden zijn, zijn het juridisch losse eenheden met elk een eigen bestuur; waarbij de BMV het gebouw beheert en uitbaat, en vanuit de corporatie de zorgtaken worden gecoördineerd. De corporatie is een ledenvereniging. Bewoners kunnen lid worden en zo zorg afnemen of leveren, maar ook meebeslissen over het bestuur via de ALV. Op dagelijkse basis, bepalen de zorgcoördinatoren (betaalde krachten) samen de behoeften en passende ondersteuning, variërend van doorverwijzing tot deelname aan activiteiten zoals ‘Ett’n wat de pot schaft’. En zoals een van hen aangeeft: “De meeste vragen beginnen gewoon bij iemand thuis, met een kop koffie. Van daaruit kijken we wat er nodig is – vaak is dat minder ingewikkeld dan je denkt.” (Zorgcorporatie Mariënvelde, n.d.).
Door maatwerk te leveren en dankzij de gecombineerde inzet van professionals en vrijwilligers blijven de zorgkosten laag. De corporatie werkt zonder indicaties of dossiers en profileert zich als een vereniging van, voor en door inwoners. Dit sluit aan bij het ‘noaberschap’, de traditionele vorm van burenhulp. Tegelijkertijd heeft dit model een keerzijde: het kan ook mensen buitensluiten die zich minder verbonden voelen. De aanjager en projectleider van de BMV vraagt zich af of nieuwe bewoners zich evenzeer mede-eigenaar kunnen voelen van de BMV of zorgcorporatie als degenen die actief bij de oprichting en bouw betrokken waren (Meijer, 2024). Inmiddels groeit de bevolking weer, met name door de komst van statushouders en ouderen van buiten de regio. Voor hen is noaberschap minder vanzelfsprekend. Om betrokkenheid te vergroten en vast te houden, is het volgens de projectleider daarom van belang om niet stil te staan, maar projecten te blijven ontwikkelen. Zo zijn de parkeerplaats voor de BMV en het dorpshart vergroend en denken inwoners mee over plannen voor de komende tien jaar.
Gebiedscoöperatie Zuidwest Drenthe
Ook in Zuidwest-Drenthe worstelden inwoners met vraagstukken rond leefbaarheid, demografie en werkgelegenheid (Hendriksma, 2018). In de gemeente De Wolden namen ondernemers het initiatief om samen met bewoners en de gemeente oplossingen te zoeken om jonge talentvolle mensen te behouden voor de regio en door ondernemerschap aan te jagen. Rond 2011 leidde dit tot de start van het bewonersinitiatief Glasvezel De Wolden, gericht op snel internet in het buitengebied. Commerciële dienstverleners zagen hier geen rendabele businesscase in. In 2016 ging de eerste schop de grond in, en werden de eerste huizen voorzien van snel internet (Buit, 2016).
Het succes van het glasvezelproject smaakte naar meer en in 2015 richtten de initiatiefnemers van het glasvezelproject de gebiedscoöperatie Zuidwest-Drenthe op. Zo konden de betrokken partijen hun samenwerking bestendigen en meerdere nieuwe projecten opvatten. In het begin was financiering een heikel punt: gemeente De Wolden wilde niet overal voor opdraaien en de ondernemers hadden samen onvoldoende startkapitaal. Uiteindelijk werd de oprichting medegefinancierd vanuit het programma Bevolkingsdaling van het ministerie van BZK, als experiment (Lier, 2018). De oprichting van de coöperatie ging gepaard met een aanzienlijke opschaling. Het werkgebied omvat nu vijf gemeenten, met actieve betrokkenheid van provincie Drenthe en waterschap Drents Overijsselse Delta. Daarnaast werkt de organisatie samen met Kennispoort Zwolle en worden ook richting Emmen nieuwe verbindingen gelegd. Deze samenwerking met uiteenlopende publieke en regionale partners onderstreept het brede bestuurlijke draagvlak voor het initiatief.
De coöperatie werkt vanuit de ‘vier O’s’: onderwijs, overheid, ondernemers en omwonenden. Het doel is om innovatie te stimuleren, de economie te versterken en de leefbaarheid te behouden (Lier, 2018). De organisatie is professioneel ingericht, waarbij de dagelijkse uitvoering in handen is van een klein team aan vaste, betaalde krachten, dat ‘samen met de initiatiefnemers in het werkgebied resultaatgericht aan de slag gaat, zonder daarbij een nieuwe (bureaucratische) bestuurslaag te vormen’ (Gebiedscoöperatie Zuidwest Drenthe, n.d.). Voor projecten worden tijdelijke teams ingericht, waarin ook studenten en stagiairs meedraaien. Het team wordt aangestuurd door een algemeen bestuur: een ledenvergadering, die haar taken heeft gedelegeerd aan een vijfkoppig dagelijks bestuur – bestaande uit vertegenwoordigers van de grootste stakeholders: bedrijven, LTO, kennisinstellingen en de overheid (Gebiedscoöperatie Zuidwest Drenthe, 2024.).
Het doel van de coöperatie is om altijd meerdere doelen tegelijkertijd aan te geven, waarbij economische ontwikkeling niet ten koste mag gaan van leefbaarheid of duurzaamheidsambities. Om hier meer richting aan te geven, heeft de gebiedscoöperatie in 2019 besloten te focussen op twee pijlers: de landbouwtransitie en energietransitie (Dagblad van het Noorden, 2025). Deze keuze past bij het gebied: in Zuidwest Drenthe is landbouw belangrijk voor de lokale economie, maar staat ook onder druk door regelgeving, nabije kwetsbare natuur en wereldwijde vraag naar goedkope en efficiënte productiemethoden. Samen met kennispartners werken boeren aan duurzame en economisch vitale bedrijfsvoering. Dit heeft geleid tot een breed scala aan projecten zoals korte ketens (onder de merknaam DubbelDrents), circulaire initiatieven, het stimuleren van regeneratieve en natuurinclusieve landbouw en het verwaarden van reststromen, zoals bermmaaisel. Leren, innovatie en beroepsonderwijs staan hierbij centraal. Samen met kennispartners richt de coöperatie zich vooral op innovatieve projecten, en creëert daarmee zoveel mogelijk werkervaringsplekken voor mbo- en hbo-studenten (Gebiedscoöperatie Zuidwest Drenthe, n.d.). De pijler energietransitie vloeit voort uit de nationale opgave om binnen de regio grootschalige duurzame elektriciteit op te wekken. De gebiedscoöperatie streeft ernaar deze energieopwekking in lokaal eigendom te ontwikkelen via een nieuw op te richten energiecoöperatie (Gebiedscoöperatie Zuidwest Drenthe, n.d.).
Inmiddels is de coöperatie uitgegroeid tot een belangrijke speler in de regionale economie (Henkdriksma, 2018; Dagblad van het Noorden, 2024). Tegelijkertijd blijkt het betrekken van alle vier de O’s niet altijd eenvoudig. Dat geldt met name voor de omwonenden. De plannen voor de energietransitie en de oprichting van een nieuwe energiecoöperatie stuiten op weerstand. Met name de discussie over windmolens in De Wolden maakt duidelijk dat veel bewoners zich niet gehoord voelen: ze verzetten zich tegen de voorgestelde locatie en hebben sterke twijfels bij het exploitatiemodel, en de mate waarin bewoners echt kunnen meeprofiteren (Hulzebos, 2025). De betrokkenheid van de vierde O, de omwonenden, staat daarmee onder druk.
Slot
De drie initiatieven laten zien hoe bewoners, ondernemers en overheden gezamenlijk werken aan een leefbaar platteland. De coöperatieve vorm biedt een organisatorisch kader waarmee lokale partijen initiatieven kunnen ontwikkelen en samenwerking kunnen formaliseren. Tegelijkertijd laten de casussen zien dat het organiseren van brede betrokkenheid en zeggenschap niet vanzelfsprekend is en blijvende aandacht vraagt.
De coöperatieve vorm biedt een organisatorisch kader waarmee lokale partijen initiatieven kunnen ontwikkelen en samenwerking kunnen formaliseren.
Opvallend – maar niet verwonderlijk – is dat alle initiatieven ontstaan zijn als reactie op toekomstige dreigingen: bevolkingskrimp, afnemende voorzieningen en uitdagingen van de energietransitie. Ondernemende bewoners grepen deze ontwikkelingen aan om het initiatief naar zich toe te trekken en zelf projecten op te zetten, vaak met steun van gemeenten of andere financiers. Hoewel het behoud van leefbaarheid als een rode draad door alle initiatieven loopt, hangt het succes ervan ook grotendeels af van een specifieke samenloop van omstandigheden, beschikbare middelen en zich voordoende kansen. Desalniettemin laten de beschreven voorbeelden zien dat coöperatieve samenwerkingsvormen op het platteland al geruime tijd een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van lokale antwoorden op maatschappelijke uitdagingen. Je zou kunnen zeggen dat de aangekondigde coöperatieve revolutie tien jaar geleden al op het platteland begon (Van de Mosselaer & Ter Avest, 2026).
De drie voorbeelden zijn inmiddels het stadium bewonerscollectief voorbij: het zijn maatschappelijke bedrijven, met werknemers en een professioneel bestuur – maar wel voor en door de lokale gemeenschap. Daarmee nemen ook de uitdagingen toe, van serieuze technische problemen (zoals bij de windturbine van Nieuwleusen) tot het verlies van lokaal draagvlak. Door opschaling verandert bovendien het speelveld, waardoor verbinding met de gemeenschap complexer wordt.
Initiatieven vanuit de samenleving vormen een belangrijke drager voor plattelandsontwikkeling en verdienen daarom een prominentere plaats binnen de ruimtelijke ordening
Initiatieven vanuit de samenleving vormen een belangrijke drager voor plattelandsontwikkeling en verdienen daarom een prominentere plaats binnen de ruimtelijke ordening. Tegelijkertijd moeten hun beperkingen en uitdagingen nadrukkelijk worden meegewogen. Lokale overheden spelen hierin een cruciale rol, bijvoorbeeld via financiering en institutionele inbedding. Dit vraagt om strategische keuzes: welke initiatieven worden ondersteund, onder welke voorwaarden en welke niet? Voor het ruimtelijk domein betekent dit dat gemeenschapsinitiatieven en coöperaties niet alleen erkend, maar ook serieus genomen moeten worden als partners in gebiedsontwikkeling. Dat vraagt van planologen en beleidsmakers dat zij oog hebben voor de lokale dynamiek, belangen en verhoudingen die deze initiatieven vormgeven. Zoals Healey (2015:24) stelt: “[…] Streetwise zijn, en leren om de lokale dynamiek goed te doorgronden is een essentiële vaardigheid voor planologen, die creatief willen samenwerken met gemeenschapsinitiatieven”.