artikel
13 min.

De verantwoordelijkheid van inwoners voor zorg- en energievoorzieningen op het platteland

Inwonersinitiatieven zoals energie- en zorgcoöperaties worden door beleidsmakers vaak gezien als dé oplossing voor verdwijnende voorzieningen op het platteland. Zo zouden inwoners het beste hun eigen voorzieningen kunnen beheren, omdat zij zelf onderdeel zijn van hun gemeenschap en daardoor het beste weten wat de behoeften van hun gemeenschap zijn. Ook worden coöperaties vaak gezien als positief voor de samenwerking en sociale relaties tussen inwoners, omdat ze inwoners bij elkaar brengen en samen aan een doel laten werken. Maar hoeveel verantwoordelijkheid voor lokale voorzieningen kun je eigenlijk redelijkerwijs van inwoners verwachten? En in hoeverre komen de verwachtingen van beleidmakers overeen met de behoeften van inwoners zelf? Deze vragen staan in dit artikel centraal.

In plattelandsgemeenschappen zijn de gevolgen van vergrijzing, ook door het wegtrekken van jongeren, bijzonder zichtbaar. Plattelandsvoorzieningen, zoals supermarkten, scholen en huisartsen, staan onder druk door de vergrijzing en een zich terugtrekkende overheid. Uit eerder onderzoek weten we dat coöperaties de potentie hebben om goed aan te sluiten bij de behoeften van de gemeenschap, omdat inwoners het beste weten wat er in hun gemeenschap speelt (Bock, 2019). Ook zouden ze positief zijn voor de samenwerking tussen inwoners (Ubels et al., 2022). Dit maakt dat zowel onderzoekers als beleidmakers vaak erg positief zijn over coöperaties als alternatief op overheids- of marktvoorzieningen.

Daarentegen kunnen coöperaties ook negatieve consequenties hebben, zoals spanningen tussen inwoners als zij het niet met elkaar eens zijn over hoe het coöperatie eruit moet zien (Meijer, 2020). Ook kan vrijwilligerswerk veel tijd en kennis van inwoners vragen, wat druk kan leggen op de schouders van inwoners (Colibaba et al., 2021). Daarom vroeg een onderzoeksteam, bestaande uit geografen en sociologen van Universiteit Groningen, zich af: hoeveel kun je wat betreft lokale voorzieningen eigenlijk van inwoners vragen, en in hoeverre kun je hen verantwoordelijk maken voor lokale voorzieningen?

Hoeveel kun je wat betreft lokale voorzieningen eigenlijk van inwoners vragen, en in hoeverre kun je hen verantwoordelijk maken voor lokale voorzieningen?
Zorg- en energievoorzieningen

In ons onderzoek richten we ons op zorg- en energievoorzieningen. Binnen deze sectoren zien we een opkomst van coöperaties (Van de Mosselaer en Ter Avest, 2026), terwijl zorg- en energievoorzieningen voorheen juist voornamelijk door de overheid werden georganiseerd. We gebruiken hier de definitie van coöperaties in culturele zin: een groep samenwerkende inwoners met gedeelde waarden en een gezamenlijk handelen (Platform31, 2018). Binnen energiecoöperaties wekken inwoners samen energie op, bijvoorbeeld door middel van een zonneveld of dorpsmolen. De winst kan hierbij worden geïnvesteerd in de gemeenschap, bijvoorbeeld in andere voorzieningen zoals lokaal openbaar vervoer (Van der Waal, 2020). Sommige energiecoöperaties ondersteunen ook dorpsgenoten bij het verduurzamen van hun woning, bijvoorbeeld door middel van energiecoaches die langs de deuren gaan met praktische tips (HIER, 2026).

Zorgcoöperaties organiseren zich meestal als vereniging, onder andere vanwege belastingtechnische redenen. De activiteiten van zorgcoöperaties kunnen bestaan uit koffie- en eetmomenten, een telefoonlijn voor hulp in en rond het huis, het organiseren van vervoer voor elkaar, een duofiets of mantelzorghulp. Daarnaast zijn er ook zorgcoöperaties die samenwerken met zorgorganisaties.

Methodiek

Binnen het onderzoek hebben we gesproken met vier typen betrokkenen bij coöperaties op het gebied van zorg en energie in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe: vijf provincieambtenaren, zes gemeenteambtenaren, tien medewerkers van ondersteunende organisaties en negen vrijwillige bestuursleden van coöperaties . De verantwoordelijkheidstoedeling voor energie- en zorgvoorzieningen werd besproken aan de hand van de door ons ontwikkelde ‘driehoek van verantwoordelijkheid’. Geïnterviewden zijn gevraagd om verschillende energie- en zorgonderwerpen te plaatsen in de driehoek, al naar gelang de partij aan wie zij de verantwoordelijkheid wilden toedelen: markt, overheid of inwoners. Deze partijen vormden de punten van de driehoek, waardoor de geïnterviewde de totale verantwoordelijkheid naar eigen inzicht kon verdelen door een positie te kiezen in de driehoek. Geïnterviewden die zich breed bezighielden met coöperaties zijn op zowel zorg als energie bevraagd. Wanneer geïnterviewden gespecialiseerd waren op een van deze sectoren, zijn ze alleen hierop bevraagd.

Verantwoordelijkheid voor zorg

De verantwoordelijkheid voor zorg werd besproken in twee rondes, beginnend met intramurale zorg zoals verzorgingstehuizen en verpleeghuizen. Deze zorgvormen werden door de meeste deelnemers gezien als “te complex voor inwoners”. Deze zorg vraagt om professionele vaardigheden en kennis die inwoners doorgaans niet bezitten. Voornamelijk vrijwilligers in het onderzoek gaven aan dat er een duidelijke grens voor inwoners ligt bij zorg waar medische handelingen bij komen kijken. Deelnemers waren ook sceptisch over de verantwoordelijkheid van de markt. De markt werd gezien als te winstgericht, wat zou zorgen voor inefficiëntie bij intramurale zorg. Sommige deelnemers deelden daarbij hun ongemak over het feit dat zorgwinsten naar aandeelhouders gaan, in plaats van naar de zorg zelf. Anderen maakten zich er zorgen over dat minderbedeelde zorgbehoevenden zouden worden uitgesloten als zorgprijzen zouden worden gedreven door winstbejag. De meeste deelnemers plaatsten de verantwoordelijkheid voor intramurale zorgvoorzieningen dan ook bij de overheid. Hierbij gaven zij aan dat de overheid de mogelijkheid heeft om regels rondom complexe zorg te handhaven en de financiële capaciteit heeft om deze zorgvoorzieningen te faciliteren.

In de tweede ronde binnen zorgen werden extramurale zorgvoorzieningen, zoals thuiszorg of dagbesteding, besproken. Hier zien we meer verschil tussen de groepen deelnemers. Ambtenaren en medewerkers van ondersteunende organisaties zagen deze zorgvoorzieningen als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, markt en inwoners. De grotere aan inwoners toegedeelde verantwoordelijkheid was voornamelijk gebaseerd op het minder complexe karakter van dit type zorg. Hierbij benadrukten zij vooral een sociale rol voor inwoners, bijvoorbeeld op het gebied van het organiseren van dagbesteding op zorgboerderijen of in dorpshuizen.

Een van de genoemde voordelen die hierbij genoemd werd, is dat inwoners het beste weten wat de behoeften van hun gemeenschap zijn en zij hier dus beter op kunnen inspelen dan de overheid of markt. Deze aanname sluit aan bij eerdere wetenschappelijke literatuur, zoals in het begin van dit artikel wordt genoemd. Hieraan werd toegevoegd dat coöperaties er ook voor zorgen dat zorgbehoevenden langer onderdeel blijven van de gemeenschap, wat beter zou zijn voor hun gesteldheid.

Juist de sociale rol voor inwoners, echter, maakt dat vrijwilligers van coöperaties de verantwoordelijkheid voor extramurale zorgvoorzieningen nog steeds grotendeels bij de overheid legden. Zij legden uit dat coöperaties geen gezondheidzorgorganisaties zijn en dus geen taken als thuiszorg willen en kunnen uitvoeren. Hiervoor ontberen zij de kennis en vaardigheden.  Zo vertelde een vrijwilliger hoe hun coöperatie werd gevraagd om te assisteren bij een nierdialyse:

“Eigenlijk ben ik een beetje verbaasd over dat ze dat kunnen… Je zit natuurlijk met de competentie van officiële zorgverleners. Overal moet je een diploma hebben, en dan voor zoiets, dat kan een vrijwilliger wel. Zodra de medische competenties in het geding komen, nou, zoals dit bij nierdialyse, dan moet de thuiszorg het doen.” (vrijwilliger zorgcoöperatie)

"Ik zou mijn beide buurmannen ook niet willen douchen. […] Dan treed je in iemand anders privé"

De vrijwilligers noemden ook aansprakelijkheid als reden waarom de verantwoordelijkheid niet bij inwoners kan liggen. Inwoners zijn niet op dezelfde manier verzekerd als professionals, een aspect dat nog weinig wordt besproken in de literatuur over coöperaties. Eén vrijwilliger gaf hierbij aan dat als er onverhoopt iets misgaat, inwoners hiervan de emotionele last dragen. Deze last is groter als het gaat om een dorpsgenoot. De relatie tussen dorpsgenoten werd door de vrijwilligers dan ook als ongeschikt ervaren voor het uitvoeren van thuiszorg. ‘Ik zou mijn beide buurmannen ook niet willen douchen. […] Dan treed je in iemand anders privé. En ik vind het zelf ook gewoon niet prettig,’ legde een vrijwilliger uit.

Bovenstaande bezwaren kunnen ook gelinkt worden aan de sociale druk die coöperaties met zich mee kunnen brengen. Dit is extra relevant in plattelandsgemeenschappen, waar dorpsgenoten elkaar vaak goed kennen. Wanneer hier iets misgaat, zullen dorpsgenoten eerder weten wie erbij betrokken was:

“Het kan ook verkeerd gaan als in, als je niet vindt dat je goed geholpen wordt door je buurvrouw, die ook ineens een zorgrol heeft gekregen, dan heb je daarnaast ook nog een slechte relatie met je buurvrouw achteraf. Of kan het tot allerlei problemen ook leiden, terwijl misschien was het dan beter geweest als ze een iets kleinere rol had gehouden en af en toe pannetjes soep was komen brengen.” (medewerker ondersteunende organisatie)

Daarnaast kan het goed kennen van elkaar zorgen voor uitsluiting, bijvoorbeeld als een dorpsgenoot een slechte reputatie heeft. Dit sluit aan bij eerder onderzoek over coöperaties, waaruit blijkt dat vooral mislukte coöperaties schadelijk kunnen zijn voor zowel de relaties tussen inwoners, als de reputatie van individuele inwoners (Meerstra-de Haan et al., 2020; Meijer 2020).  De overheid of de markt zijn wat dat betreft beter in het garanderen van een bepaalde anonimiteit voor zorgbehoevenden, die belangrijk is voor goed functionerende zorgvoorzieningen.

Verantwoordelijkheid voor energie

Wat betreft het energiedomein, zagen de meeste deelnemers uitdagingen zoals de transitie naar duurzame energie en aardgasvrije woningen als een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor overheid, markt en inwoners. Deelnemers vonden dat alle partijen hun eigen rol hebben te spelen in de energietransitie. Inwoners kunnen een bijdrage leveren in hun eigen omgeving, de markt voor grootschalige duurzame energieopwekking en de overheid voor wet- en regelgeving. In meerdere interviews kwam de expliciete rol van coöperaties ter sprake. Door het plaatselijk opwekken van duurzame energie, kunnen inwoners de winst hiervan investeren in hun gemeenschap. Zo had een energiecoöperatie binnen het onderzoek een eigen fonds waar andere coöperaties hun aanvraag konden indienen, bijvoorbeeld voor een voedselbos.  Dit zorgt voor draagvlak voor de energietransitie:

“Als daar een molen staat te draaien voor een particulier of voor een groot bedrijf, dan heb je last van die molen. Als je er langs rijdt en bij elke molen [gaat de winst naar de eigen gemeenschap], dan denk je: gaat weer een cent naar het dorp, we worden er al weer beter van. Dan kijk je heel anders naar zo’n molen. Daar gaat het om.” (vrijwilliger energiecoöperatie)

Juist dit draagvlak wordt vaak als zeer belangrijk voor de energietransitie gezien. Zo stelt TNO (2024) bijvoorbeeld dat een eerlijke verdeling van kosten en baten essentieel is voor de acceptatie van klimaatbeleid.

"Dan denk je: gaat weer een cent naar het dorp, we worden er al weer beter van. Dan kijk je heel anders naar zo'n molen."

De verantwoordelijkheid voor lokale energievoorzieningen kan ook druk leggen op inwoners. Net als bij zorgvoorzieningen, percipiëren deelnemers hier grenzen aan de verantwoordelijkheid voor inwoners, met name gerelateerd aan aansprakelijkheidskwesties. Als er iets misgaat in de energieopwekking, weten dorpsgenoten precies wie van hen hier aansprakelijk voor is. Een vrijwilliger vertelde zelfs hoe hij lastiggevallen werd door dorpsgenoten die tegen de energietransitie waren. Een andere vrijwilliger benoemde de voordelen van de anonimiteit van de overheid:

“Een nadeel kan zijn als je keuzes maakt en die slecht uitpakken. Dan heb je wel een stukje verantwoording te doen. En dan is het handiger als je bij de gemeente werkt en je woont in een andere provincie. Dat je hier ‘s morgens met je auto komt en daarna ga je naar huis en ben je het kwijt. Dat is anders dan dat je tussen de mensen woont.” (vrijwilliger energiecoöperatie)

Bij onderwerpen zoals bestrijding van energiearmoede en omgaan met netcongestie, zien we een verschil tussen vrijwilligers en ambtenaren. Ambtenaren zagen deze onderwerpen voornamelijk als tot de verantwoordelijkheid van de overheid behorend, omdat ze te complex zouden zijn voor inwoners. De overheid heeft de financiële middelen en de kennis hiervoor. Daarbij werd genoemd dat energie een basisvoorziening is, en dat daarom de overheid verantwoordelijk moet zijn. Vrijwilligers deelden juist meer verantwoordelijkheid aan inwoners toe. Hierbij noemden zij nogmaals het voordeel dat zij onderdeel zijn van de eigen gemeenschap. Hierdoor weten zij beter dan de overheid waar energiearmoede speelt. Zo ging een energiecoöperatie binnen het onderzoek tijdens de Oekraïnecrisis gelijk bij dorpsgenoten met lage energielabels langs om te helpen isoleren en verduurzamen. Ook kunnen zij een bijdrage leveren bij de aanpak van netcongestie. Bijvoorbeeld doordat zij naar eigen zeggen hun dorpsgenoten beter kunnen overtuigen hun energieverbruik aan te passen, dan de markt of de overheid dit kunnen. Daarnaast gaf een van de ondersteunende organisaties aan dat er ook coöperaties zijn die bezig zijn met het aanleggen van een volledig eigen energiestructuur, wat de druk op het nationale netwerk kan verlichten. Bij deze onderwerpen noemden vrijwilligers van energiecoöperaties dat zij zich niet altijd serieus genomen voelen door de gemeente. Ook uit eerder onderzoek blijkt dat dit erg demotiverend kan werken .  (Tonkens en Verhoeven 2011).

Onderwerpen zoals emissiereductie in de industrie en CO2-reductie in de mobiliteitssector werden door de meeste deelnemers tot de verantwoordelijkheid van overheid en markt gerekend. Deze uitdagingen spelen namelijk op marktniveau, waar inwoners weinig invloed op hebben. De markt moet zich daarom aanpassen, terwijl de overheid verantwoordelijk is voor de wet- en regelgeving om die marktaanpassing aan te sporen en in te kaderen.

De samenwerking tussen gemeente en inwoners

In de interviews is vaak het belang van samenwerking tussen de overheid, voornamelijk de gemeente, en inwoners besproken. Wanneer deelnemers gevraagd werden wat de rol van de overheid dan moet zijn, werd de term ‘faciliterend’ vaak gebruikt. Dit kan op financieel gebied zijn, maar zeker ook op het gebied van het helpen bij bureaucratische processen, zoals ingewikkelde of verwarrende wetgeving. Zulke processen vormen een van de meest genoemde barrières voor coöperaties. Vooral het hebben van één vaste contactpersoon bij de gemeente werd door de deelnemers als behulpzaam ervaren, omdat het zou zorgen voor consistente en duidelijke communicatie.

Tegelijkertijd benoemden de geïnterviewden dat de gemeente vooral ook ruimte moet geven aan coöperaties en hun eigenaarschap moet respecteren. Deelnemers legden uit dat een bemoeizuchtige gemeente inwoners erg kan demotiveren. Vooral de vrijwilligers in het onderzoek benadrukten dat de gemeente vertrouwen moet schenken aan coöperaties. “Ga niet als een gemeente denken: wij hebben de waarheid in pacht. En ja, als je geen ambtenaar bent dan… Nou ja, dan kan het niet goed zijn” (vrijwilliger energiecoöperatie). Een goede samenwerking vraagt dus om een flexibele gemeente met vertrouwen in haar inwoners. Tegelijkertijd moet een gemeente ook eerlijk zijn als ideeën van inwoners niet haalbaar zijn.

Als laatste gaven deelnemers aan dat de samenwerking tussen gemeente en inwoners alleen werkt als inwoners echt zelf initiatief willen nemen. Wanneer participatie vanuit de gemeente aan inwoners opgelegd wordt, zal het niet werken. Sommige deelnemers noemden daarbij dat niet iedere inwoner deel wil zijn van een coöperatie, bijvoorbeeld omdat zij te druk zijn met werk en gezin. Een van de deelnemers noemde het zelfs oneerlijk om van alle inwoners te verwachten dat zij de verantwoordelijkheid voor voorzieningen op zich nemen: “Omdat je een hele grote verantwoordelijkheid ergens neerlegt bij amateurs, eigenlijk. Die er niet per se op zijn ingericht, die andere prio’s hebben. Namelijk, ervoor zorgen dat er voldoende geld binnenkomt om je gezin een beetje te fatsoeneren” (ambtenaar provincie).

Succesvolle coöperaties vragen om de juiste begeleiding: hulp bieden waar nodig, vrijheid geven en loslaten waar het kan.
Conclusie

Wanneer we de resultaten op de gebieden van zorg en energie met elkaar vergelijken, zien we een interessant verschil. Wat zorg betreft plaatsen ambtenaren en medewerkers van ondersteunende organisaties de verantwoordelijkheid meer richting inwoners, dan dat vrijwilligers dit zelf doen. Hier speelt dus het risico dat er te hoge verwachtingen aan inwoners worden gesteld.  Wat betreft energie zien we een omgekeerd beeld: ambtenaren en medewerkers van ondersteunende organisaties leggen de verantwoordelijkheid minder bij inwoners dan dat vrijwilligers zelf dit doen. Hier speelt juist het risico dat coöperaties niet serieus genoeg worden genomen, wat voor coöperaties zeer demotiverend kan werken. Deze resultaten belichten hoe belangrijk het is voor de (lokale) overheid om actief naar de behoeften van inwoners te luisteren en daarop in te spelen.

Ook laten de interviews zien dat succesvolle coöperaties vragen om de juiste begeleiding: hulp bieden waar nodig, vrijheid geven en loslaten waar het kan. Er kan dus geen blauwdruk worden gemaakt voor hoe een coöperatie het beste ondersteund kan worden. In sommige dorpen zal het wellicht überhaupt niet lukken om een coöperatie te starten, bijvoorbeeld omdat hier geen inwoners met de juiste kennis en vaardigheden voor het opzetten van een coöperatie wonen. In dit geval zal de overheid nog steeds zelf de verantwoordelijkheid voor voorzieningen op zich moeten nemen, om de leefbaarheid van deze dorpen te waarborgen. Inwonersparticipatie vraagt dus om maatwerk en flexibiliteit van de lokale overheid. Uiteindelijk betekent dit dat de overheid zich niet zomaar kan terugtrekken en dat succesvolle inwonersparticipatie in de vorm van coöperaties alleen kan werken met een actief participerende overheid.

Website by HOAX Amsterdam