artikel
14 min.

De zelfvoorzienende burger: Almere Oosterwold als proeftuin voor een terugtrekkende overheid?

Doorwaadbare zone Oosterwold (Foto: A. Prins)

Groeikernen als Almere kennen een lange geschiedenis als proeftuin voor utopieën. Vijftig jaar na het ontstaan van de stad is die utopische impuls nog steeds zichtbaar, al vindt zij heel andere uitingsvormen. Waar de eerste wijken van Almere de maakbaarheidsgedachte van de naoorlogse wederopbouw vertegenwoordigden, laten nieuwe experimenten zoals de zelfbouwwijk Oosterwold een terugtrekkende rol van de overheid zien. Het zijn de bewoners zelf die hier, binnen een paar vooropgezette regels, hun eigen droomwijk realiseren. Wat betekent dit voor de relatie tussen burger en overheid? En op welke (bestuurlijke) grenzen stuit dit ideaal van zelfvoorzienendheid?

Wie een bezoek brengt aan de zelfbouwwijk Oosterwold wordt geconfronteerd met dromen in verschillende stadia van verwezenlijking. Er zijn tijdelijke stacaravans en yurts van bewoners wier droomhuis nog in aanbouw is, dunnetjes overgroeide aardhuizen die zich aarzelend terugtrekken in het landschap, en overdadige blikvangers, zoals een volledig draaibaar huis dat al fietsend wordt aangedreven. Oosterwold is echter meer dan een werkplaats waar mensen knutselen aan hun ideale huis. Het is ook een plek waar geëxperimenteerd wordt met nieuwe vormen van gemeenschapsvorming en burgerschap.

Voor deze bijzondere proeftuin – gelegen in het landelijk gebied tussen Almere en Zeewolde – is in totaal 4.300 hectare gereserveerd, waarvan inmiddels zo’n 800 hectare bebouwd is. In 2016 betrokken de eerste pioniers er hun woningen en de wijk groeide gestaag uit naar ruim 2.000 huishoudens (Bouwhuis & Fröger, 2025) . Van deze bewoners of ‘eindgebruikers’ wordt een grote mate van zelfstandigheid verwacht. Niet voor niets luidt het leidende ontwerpprincipe: ‘bijna alles mag, maar dan moet je ook bijna alles zelf doen’ (Ravenkop, 2022).

Daarmee is Oosterwold niet alleen een ruimtelijk maar ook een bestuurlijk experiment. Want wie is er in een wijk waar grondgebruik in verregaande mate aan het eigen initiatief wordt overgelaten verantwoordelijk voor publieke voorzieningen? En in hoeverre is het überhaupt mogelijk om je als overheid ‘terug te trekken’? Na tien jaar pionieren in de polder kan voorzichtig worden geconcludeerd dat zelforganisatie niet automatisch opbloeit in de afwezigheid van de overheid, maar juist continue afstemming, bijstelling en onderhandeling vereist.

Uiteenlopende utopieën: van maakbaarheid naar doe-het-zelf

Het ideaal van een zelfvoorzienende buurt die in de luwte van overheidsbemoeienis en regeldruk kan floreren staat ver af van de oorspronkelijke visie voor Almere. De stad werd ontworpen als groeikern om de demografische overloop vanuit Amsterdam op te vangen en is geïnspireerd op het idee van de garden city (Wakeman, 2016:2). Deze utopische modelstad, bedacht door Ebenezer Howard, hield het midden tussen stad en platteland en bestond uit zelfvoorzienende enclaves die een alternatief moesten bieden voor ongezonde, armoedige binnensteden. In Almere uitte dit zich in zorgvuldig geplande wijken – omringd door brede groenstroken en elk met een eigen centrum en voorzieningen – waar de nieuwe middenklasse rust, ruimte en comfort moest vinden.

Daarmee was de stad onmiskenbaar een product van haar tijd: de hoogtijdagen van de sociaaldemocratie. Politici en beleidsmakers wilden de samenleving opnieuw inrichten om haar burgers te verheffen en namen daarbij een sterk sturende rol in. Oosterwold legt daarentegen een diametraal andere relatie tussen overheid en burger bloot. Hoewel ook deze wijk een variatie is op het ideaal van de garden city, was het in de eerste plaats aan bewoners zelf om dit te realiseren. De sociale wetenschappers Danielle Chevalier en Yannis Tzaninis (2022) laten zien hoe de maakbaarheidsgedachte van de naoorlogse verzorgingsstaat plaatsmaakte voor een nieuwe utopie: die van de ‘doe-het-zelf’ benadering (Chevalier & Tzaninis, 2022:218). De burger werd omgedoopt tot planoloog, met een bonte keur aan huizen, tuinen en buurten tot gevolg.

Een voorzienende of faciliterende overheid?

Deze doe-het-zelf benadering maakte al langer haar opmars in Almere. Sinds 2006 moedigt het gemeentebestuur zelfbouw en organische gebiedsontwikkeling aan door middel van programma’s zoals ‘IkbouwmijnhuisinAlmere’ (RRAAM, 2012:2). Oosterwold is als experiment echter uniek omdat de toekomstige bewoners hier ook verantwoordelijk zijn voor het grondgebruik en de ontwikkeling van voorzieningen zoals wegen. De wijk is in veel opzichten een vingeroefening in zelfvoorzienendheid; zo zijn alle kavelhouders verplicht om ten minste de helft van hun grond te exploiteren voor stadslandbouw (RRAAM, 2012). Een ‘spelregel’ die in de praktijk heeft geleid tot een bloeiende verscheidenheid aan moestuinen, rondscharrelende boerderijdieren en hier en daar een ‘excuusboom’.

Achter dit autarkische ideaalbeeld schemeren ook politiek-economische overwegingen door. Zo is het geen toeval dat de ontwikkeling van Oosterwold juist in de nasleep van de financiële crisis een hoge vlucht nam. De gemeente Almere had te maken met een stagnerende grondmarkt en ontwikkelaars legden hun nieuwbouwprojecten stil (De Voogt, 2018). Oosterwold bood een welkome uitweg: door rechtstreeks aan huiseigenaren te verkopen zonder deze (landbouw)grond eerst voor te financieren hoopte de gemeente ‘tijd en geld op gebiedsontwikkeling te besparen’ (De Voogt, 2018). In ruil voor betaalbare kavels kregen de toekomstige bewoners een grote mate van vrijheid én verantwoordelijkheid.

Deze overheveling van verantwoordelijkheden van overheid op burger staat niet op zichzelf. In veel Europese landen is sinds de jaren negentig een verschuiving waarneembaar van de traditionele verzorgingsstaat naar een meer ‘faciliterende’ overheid die burgers in staat stelt om zelf in hun eigen behoeftes te voorzien (Wallace et al., 2019). In Nederland komt dit onder andere tot uiting in de nieuwe Omgevingswet. Deze wet is sinds 2024 van kracht en biedt de juridische en institutionele kaders om private initiatieven een grotere rol toe te dichten in ruimtelijke ontwikkeling (Chevalier & Tzaninis, 2022:218). Oosterwold is in veel opzichten de belichaming van deze nieuwe vorm van bestuur. Niet voor niets won haar bestemmingsplan in 2020 de Aan de Slag Trofee voor ‘meest inspirerende project in de geest van de nieuwe Omgevingswet’ (Sweco, zj.).

De vraag rijst dus wat voor lessen Oosterwold als (utopisch) experiment blootlegt voor de rest van Nederland. Wat betekent het als overheid om te ‘faciliteren’ en hoe pakt dit uit voor een vraagstuk dat van oudsher nauw verbonden is met de verzorgingsstaat: de realisatie van publieke voorzieningen?

Publiek of privé? Het voorzieningenvraagstuk in Oosterwold

De oorspronkelijke plannen voor Oosterwold gingen uit van een zeer beperkte rol voor de overheid, bestaande uit het uitgeven van kavels en het aanreiken van kaders en spelregels. Er werd op voorhand geen grond gereserveerd voor buurthuizen, parken, pleinen of andere ontmoetingsplekken (Nio, 2020:9). Bovendien zouden publieke investeringen in het gebied volgend zijn: eerst moest er voldoende geld ‘verdiend’ worden met activiteit ‘van onderop’ (RRAAM, 2012:108). Van de bewoners werd dus een zekere mate van ondernemerschap verwacht: aan hun de taak om de wijk levensvatbaar maken en deze verder te ontsluiten. Dit varieerde van het bouwrijp maken van de grond tot het aanleggen van wegen, waarborgen van wandelstroken, schoonhouden van sloten, en realiseren van de energievoorziening.

De aanname was dat dit proces van zelforganisatie ook min of meer organisch tot publieke voorzieningen zou leiden. In de praktijk heeft de speel- en regelruimte binnen Oosterwold inderdaad tot een keur aan creatieve en informele initiatieven geleid. Er zijn mini-podia in de achtertuinen van bewoners, gedeelde geitenweides en moestuinen, allerhande culturele activiteiten, buurtkamers en een woud aan Facebook- en appgroepen waar mensen van alles delen en uitwisselen. Toch zijn dit soort gemeenschapsinitiatieven niet één op één te vergelijken met publieke voorzieningen. Niet in de laatste plaats omdat ze vormkrijgen in een context waar alle grond – tot en met de zelfaangelegde wegen aan toe – particulier bezit is. Onderzoeker Ivan Nio (2020:80) spreekt dan ook van een ‘proeftuin voor een nieuw soort publiek domein ontwikkeld op private kavels’.

Vooralsnog bestaat dit domein uit kleinschalige ontmoetingsplekken met een semi-publiek of zelfs grotendeels privaat karakter. Zo hebben sommige bewonerscollectieven binnen Oosterwold geïnvesteerd in een gezamenlijk gebouw: een soort gedeelde woonkamer-keuken-bar-schuur die wordt gebruikt wordt voor etentjes, yoga, flexibel werken, vergaderingen en de opslag van gedeelde gereedschappen. In andere gevallen hebben individuele bewoners een deel van hun eigen huis of tuin zo ingericht dat deze ook gebruikt kan worden voor incidentele bijeenkomsten, repetities of muziekuitvoeringen. Deze ruimtes zijn echter niet vrij toegankelijk voor iedereen en eerder vergelijkbaar met de kantine van een besloten sportvereniging dan met een openbaar dorpshuis, plein of park. De stijgende grondprijzen in Oosterwold zetten de beschikbare ruimte voor dit soort ontmoetingsplekken bovendien verder onder druk (Schmidt, 2024).

Schipperen tussen zelfredzaamheid en zorgplichten

Welbekend is het voorbeeld van de riolering in Oosterwold die uiteindelijk – met terugwerkende kracht – door de gemeente Almere moest worden gerealiseerd, nadat bleek dat individuele zuiveringsfilters de algehele waterkwaliteit onvoldoende konden waarborgen. Om beter zicht te krijgen op dit soort zorgplichten liet de gemeente Almere in 2023 een juridische scan uitvoeren (Dirkzwager, 2023). Hierin werden ook de zogenoemde kavelwegen die bewoners zelf vanaf de hoofdwegen hebben aangelegd als mogelijk knelpunt aangestipt. Veel van deze wegen monden namelijk uit in doodlopende eindjes of cul‑de‑sacs, wat een belemmering kan vormen voor bijvoorbeeld hulpdiensten. In de praktijk is de experimentele ruimte van Oosterwold dus een grijs gebied waarin taken en verantwoordelijkheden continu moeten worden afgetast.

Dit legt ook een hardnekkige misvatting bloot: namelijk dat zelforganisatie bij uitstek vorm krijgt en floreert in het vacuüm van een terugtrekkende overheid. De wetenschappelijke theorievorming over informaliteit is in dit licht verhelderend. Hoewel dit concept vaak intuïtief wordt geïnterpreteerd als een (bevrijdende) afwezigheid van regels en overheidsinmenging, is informaliteit volgens stadsgeograaf Ananya Roy (2005) in de eerste plaats een logica van organiseren en besturen. Overal waar de overheid zich ogenschijnlijk terugtrekt ontstaat namelijk een voortdurende onderhandeling tussen bewoners, tussenpersonen, handhavers, lokale leiders én politici over toegang tot grond, elektriciteit, publieke ruimte en drinkwatervoorzieningen.

Deze dynamiek is in Oosterwold goed zichtbaar als het gaat om het verwezenlijken van meer complexe voorzieningen zoals scholen of het openbaar vervoer. Hoewel bewoners ook hierin een (voortrekkers)rol spelen hebben ze bijna altijd hulp nodig van diverse overheden: hetzij in de vorm van tijdsinvestering van ambtenaren die mensen wegwijs maken in de wereld van vergunningen, hetzij in de vorm van financiering. Zo kon de nieuwe buurtbus, die sinds een aantal maanden als pilot door Oosterwold rijdt en bestuurd wordt door vrijwilligers, alleen van de grond komen met publieke investeringen vanuit de provincie (Omroep Almere, 2025). Oftewel: het optuigen van een faciliterende overheid is geenszins een hapklare, kostenbesparende maatregel.

Grenzen aan zelfvoorzienendheid

Zoals elk utopisch project legt Oosterwold niet alleen idealen bloot op het gebied van ruimtelijke inrichting, maar ook op het gebied van bestuur. In de oorspronkelijke visie van Ebenezer Howard waren garden cities op zichzelf staande eenheden die als een soort lokale vennootschap werden gerund (Wakeman, 2016:21). Deze opvatting van steden en buurten als zelfsturende organismen, die slechts beperkt ingebed zijn binnen bredere systemen, is kenmerkend voor utopische ontwerpen. Utopia van Thomas More was niet voor niets een eiland. Oosterwold laat echter zien dat een té sterke nadruk op zelfvoorzienendheid problemen met zich meebrengt voor publieke goederen die lokaliteit overstijgen en schaalbaar moeten zijn. Dit ideaal staat bovendien op gespannen voet met de zorgplichten van gemeenten.

Als bestuurlijk experiment is Oosterwold zowel inspirerend als kwetsbaar. Aan de ene kant laat de zelfbouwwijk zien dat het bieden van rommel- en regelruimte weldegelijk tot allerhande informele initiatieven en voorzieningen leidt, zoals buren die elkaar een lift geven, huiskamerconcerten en de uitruil van zelfverbouwde groenten. Het is echter belangrijk om onderscheid te maken tussen dit soort gemeenschapsgoederen – die voortkomen uit spontane samenwerking tussen buren en verankerd zijn in ongeschreven regels – en publieke goederen, die een sociaal contract tussen burger en staat vertegenwoordigen (Quilligan, 2012). Een robuuste buurt heeft beide nodig, al is het maar omdat het volledig ontbreken van publieke ruimtes, gebouwen, en grond – zoals in Oosterwold – het organiseren van nieuwe initiatieven en voorzieningen aanzienlijk kan bemoeilijken.

Hierin vertoont de wijk ook een opmerkelijke breuk met de oorspronkelijke utopie van Howard, waarin alle grond gemeenschapsbezit was in plaats van privé-eigendom. Bewoners huurden hun huizen van de stad en alle winst uit stijgende grondprijzen of ontwikkeling vloeide terug naar een gemeenschappelijk beheerde kas (Heathorn, 2000:115). Dit staat ver af van Oosterwold waar het aantal sociale en betaalbare huurwoningen – mede door de toenemende waarde van de grond – sterk achterblijft bij andere wijken van Almere (Ravenkop, 2022). Stedelijk adviseur Rijckenberg (2022) merkt dan ook terecht op dat het een gemiste kans is dat er vanaf het begin niet meer met juridische instrumenten zoals erfpacht en anti-speculatie maatregelen is geëxperimenteerd.

En misschien is dat wel de belangrijkste les die Oosterwold blootlegt: een waarschuwing om wat er aan verbeeldingsruimte en experimentele vrijheid wordt veroverd op een sturende overheid, niet te gemakkelijk weer terug te geven aan de markt.

Website by HOAX Amsterdam