artikel
14 min.Erfgoedwaarde in alledaagse woonwijken uit de jaren ’70 en ‘80
Woonwijken uit de jaren ’70 en ’80 staan aan de vooravond van renovaties. Ze zijn gebouwd met grote idealen: groen, de menselijke maat, gemeenschapsgevoel. Dit vertaalde zich in kenmerkende ontwerpprincipes. Maar herkennen huidige gebruikers deze ideeën nog? Welke kwaliteiten zijn in de afgelopen decennia ontstaan? In ons onderzoek wandelden we mee met gebruikers om te vragen wat zij waardevol vinden. Zo wordt duidelijk welke ontwerpprincipes nog steeds herkend en gewaardeerd worden. Renovatie en hoge verdichtingsopgaven vragen om duidelijkheid: wat blijkt succesvol, wat niet, en wat mag niet verloren gaan?
De buurten uit de jaren ‘70 en ‘80 hebben inmiddels een leeftijd waarbij grote ingrepen nodig zijn, zoals verduurzaming en verdichting. Er is echter geen consensus over de waarde van dit type wijken: ze zitten tussen jong en oud in. Er zijn ingrijpende vernieuwingen nodig, terwijl het erfgoedveld pas net is begonnen met het duiden van hun erfgoedwaarde. Daarom is dit het moment om erfgoedkenmerken in kaart te brengen zoals die door verschillende groepen stakeholders worden herkend. Welke ontwerpprincipes worden nog steeds gewaardeerd? Welke lessen kunnen we hieruit leren voor toekomstige (her)ontwerpen? Zo kunnen waardevolle elementen behouden blijven of gebruikt worden om de plaatselijke identiteit te versterken.
Erfgoedwaarde in alledaagse woonomgevingen
Onderzoek naar de erfgoedwaarde van de Nederlandse woningbouw uit de jaren ‘70 en ‘80 komt hoofdzakelijk vanuit een expertperspectief (Abrahamse, 2019; Provoost, 2023; Ubink & Van der Steeg, 2011). Slechts weinig studies betrekken de waardering van andere groepen, zoals bewoners (Quaedflieg, 2013), of passen een bredere, discipline-overstijgende waardering van erfgoed toe (Tennekes et al., 2022). Dat is opvallend, zeker omdat verschillende ontwerpprincipes uit deze periode vandaag weer relevant zijn in nieuwbouwwijken: denk aan autoluw ontwerp, collectieve woonvormen en een wandelbare stad met menselijke maat. Dit maakt een brede evaluatie van eerdere voorbeelden van deze ideeën extra waardevol voor het heden.
Het onderzoek richt zich op ‘alledaags erfgoed’ (Fairclough, 2009; Ireland et al., 2025). Alledaags erfgoed verwijst naar de gebouwde en geleefde omgeving die voortdurend wordt gebruikt en ervaren, maar meestal niet formeel als erfgoed wordt erkend. Het betrekken van het alledaagse en ‘gewone’ woonmilieu brengt het erfgoeddomein dichter bij de praktijk van stedelijke planning en woningbouw dan traditionele erfgoedpraktijken doorgaans doen. Door erfgoed te benaderen vanuit zowel de ervaring van de gemeenschap als de kennis van experts, kan integratie plaatsvinden tussen gebruikers- en erfgoedwaarden. Erfgoed kan zo lokale identiteit en placemaking versterken en is hierdoor niet langer iets statisch dat geconserveerd moet worden, maar een hulpbron bij gebiedsontwikkeling (Mosler, 2019; Fairclough, 2009).
Alledaags erfgoed vraagt om een brede kijk op wat erfgoed is. In de praktijk betekent dit een omkering van traditionele erfgoedbescherming, door allereerst bewoners te vragen wat zij waardevol vinden. Zoals Fairclough (2009) stelt: “Inclusiviteit kan niet eenvoudig worden opgebouwd vanuit een proces waarbij op nationale of expert schaal eerst de belangrijkste gebouwen worden aangewezen om vervolgens te kijken wie daar ‘eigenaarschap’ over voelt. Een universele, inclusieve kijk op erfgoed […] vraagt juist om het tegenovergestelde: uitzoeken wat mensen zelf waardevol vinden, in hun eigen buurt, elders, of zelfs alleen in hun waarneming of herinnering.”
Gecombineerde benadering van gebruik en erfgoed
In dit onderzoek richten we ons op het identificeren van erfgoedattributen: de aspecten die gewaardeerd worden. Deze attributen kunnen tastbaar zijn, zoals een fysiek object of een plek, maar ook ontastbaar, zoals herinneringen of tradities (Cotte, 2021). Door zowel de dagelijkse gebruikswaarde als de formele historische en esthetische erfgoedwaarde mee te nemen, biedt dit een passende methode voor alledaagse woonomgevingen. Het onderzoek combineert ‘post occupancy evaluation’ (gericht op gebruikerswaarde en -perspectief en evaluatie op de korte termijn) met erfgoedwaardering (gericht op historische waarde vanuit een expertperspectief, op langere termijn).
Acht laag- en middelhoogbouwwijken gebouwd tussen 1970 en 1990 zijn onderzocht: Bijlmerplein en Nellestein (Amsterdam Zuidoost), Goedewerf en Schoolwerf (Almere Haven), Bouwmeesterbuurt (Almere Buiten), Rijnsweerd Zuid (Utrecht), Diagoonwoningen (Delft), Koepeltjesbuurt (Zoetermeer). De verschillende typologieën reflecteren de variatie in woonmilieus uit deze periode. Door deze wijken te vergelijken kunnen algemene ontwerpprincipes uit die tijd worden geïdentificeerd, en hoe gebruikers hier tegenwoordig tegenaan kijken.
Voor de dataverzameling is gebruik gemaakt van een digitale enquête: de WijkWijzer. Hierbij wandelen respondenten een rondje door de buurt en beantwoorden vragen over de attributen die ze tegenkomen. Het voordeel van deze methode is dat, omdat deelnemers zonder bijzijn van de onderzoeker de survey kunnen invullen, men deze in hun eigen tijd kan invullen en een groter aantal respondenten kan meedoen.
De tabel hieronder biedt een overzicht van de attributen die uit de antwoorden naar voren komen en die typerend zijn voor deze bouwperiode. In dit artikel bespreken we de huidige blik van respondenten op zes van deze attributen. Ze zijn onderverdeeld in attributen op de schaal van de buurt en stedenbouw, en attributen op het niveau van de woning en de materialen.
Groen en geborgen
Woonerven en hofjes
Een hofjesstructuur met woningen rondom een gedeeld erf komt bij vijf buurten voor. Het duidelijkst zichtbaar is deze in Schoolwerf, Rijnsweerd en Goedewerf, waar hofjes zijn gecombineerd met autoluwe infrastructuur en gescheiden routes voor voetgangers en fietsers. Bewoners van hofjes-wijken koppelen deze plekken vaak aan sociale functies: een plek om buren te ontmoeten en waar kinderen kunnen spelen. De hofjes bieden hiervoor privacy, beschutting en veiligheid. Ook wordt een ‘dorpse sfeer’ genoemd in relatie tot de woonerven
De woonerven vervullen een belangrijke rol als activiteitenplek.
In buurten met een grootschaligere hofjesstructuur (Bouwmeesterbuurt, Nellestein), rondom grotere groengebieden, tussen hoge woongebouwen of zonder autorestrictie, wordt deze ruimte minder aan sociale functies verbonden. Wel waarderen bewoners de groene uitstraling, rust en ruimte. In beide configuraties vervullen de woonerven een belangrijke rol als activiteitenplek. In beschutte, kleinschalige hofjes dragen deze bij aan collectiviteit, voor grootschalige ruimtes geldt dit minder. Nio (2010) benoemt ook meer sociale contacten op kleine pleintjes, al blijven volgens hem sociale factoren de belangrijkste grondslag voor onderling contact. Toch benoemen bewoners met name het kleinschalige hofje als succesvol ontwerpprincipe voor het bevorderen van sociale samenhang.
Geïntegreerd groen
In alle wijken speelt groen een essentiële rol in het karakter en de leefbaarheid van de omgeving. In Rijnsweerd en Nellestein is er met name waardering voor de hoge kwaliteit en diversiteit van het groen. Bewoners noemen hier voordelen van het groen die niet direct met activiteiten te maken hebben, zoals schonere lucht, biodiversiteit, leefruimte voor vogels en het verminderen van hitte. In bijna alle buurten geven bewoners aan dat de kwaliteit van het groen wordt bedreigd door achterstallig onderhoud.
Kleinschalig, verspreid en individueel groen stimuleert eigenaarschap en nodigt bewoners uit om hun omgeving te onderhouden en te personaliseren.
De wijken verschillen onderling sterk in de schaal en organisatie van de groene ruimtes. Dat beïnvloedt hoe bewoners zich ertoe verhouden. Opvallend is dat bewoners in wijken met meer versnipperd groen vaker identiteit-attributen koppelen aan de groene ruimtes. Kleinschalig, verspreid en individueel groen stimuleert eigenaarschap en nodigt bewoners uit om hun omgeving te onderhouden en te personaliseren. Bewoners onderhouden ‘hun’ stukje groen goed en geven er een persoonlijke twist aan. Dit kan zowel privaat gebied zijn als publiek gebied dat wordt toegeëigend, individuele tuinen, maar ook bureninitiatieven met collectief beheer. Het geïntegreerde groen is een kernfactor van het succes van deze woonwijken.
Veranderende plek van de auto
In de jaren ’70 en ’80 werd de auto in de woonwijk een nieuwe plek toebedeeld en werden nieuwe parkeeroplossingen bedacht. Er kwam meer ruimte voor de voetganger en fietser, waarvoor de auto werd afgeremd of zelfs volledig werd geweerd. Ook deze oplossingen zijn in de loop der jaren aan verandering onderhevig geweest. Zo zijn de aangebouwde garages in Rijnsweerd veelal omgebouwd tot extra studeerkamer of keuken, deels doordat moderne auto’s niet meer in de krappe garages uit de jaren ’70 passen. Ook in de Koepeltjesbuurt zijn er naast de halfverdiepte garages ook parkeerplekken voor de deur bijgekomen. Dit resulteert in een verhoogde parkeerdruk op straat, waardoor het ideaalbeeld van een gemengde woonstraat in sommige buurten toch met name wordt gedomineerd door het beeld van de geparkeerde auto. De slingerende woonstraten en gescheiden wandel- en fietspaden (Rijnsweerd, Nellestein, Schoolwerf, Koepeltjesbuurt) worden gewaardeerd vanwege hun autoremmende functie. Ook nadelen worden genoemd: bezoekers en postbezorgers hebben moeite bij het zoeken van een adres in de kronkelende straten.
Het weren van de auto in de directe woonomgeving blijft tot de dag van vandaag onder bewoners een breed gewaardeerde ontwerpstrategie. In ons onderzoek kwamen zeven autoluwe of autovrije buurten voor. Hier waardeerden respondenten de veilige, kindvriendelijke en rustige omgeving.
Schuin en bruin
Architectonische identiteitsdragers
Het creëren van een buurt-identiteit door zichtbare, herkenbare elementen was een belangrijk streven in de jaren ‘70 en ‘80, als reactie op de ervaren anonimiteit van de modernistische woonwijken (Abrahamse, 2019). Een veelgebruikte architectonische strategie was het aanbrengen van variatie in gevels, bouwmassa en woningtypen (Abrahamse, 2019; Ubink & Van der Steeg, 2011).
De architectonische identiteit wordt gevormd door een combinatie van zowel bedoelde, originele ontwerpprincipes als veranderingen in de buurt en praktijken van bewoners.
Sommige wijken hebben sterke beeldbepalende elementen (Rijnsweerd, Diagoonwoningen, Koepeltjesbuurt). In deze buurten, soms ook door beroemde architecten ontworpen, worden de architectuur, de architect en de samenhang vaak genoemd als belangrijke identiteit-attributen. Na een halve eeuw zijn deze wijken in die identiteit gegroeid, en dat wordt soms wel en soms niet gewaardeerd. Al was flexibiliteit en toe-eigening een ontwerpuitgangspunt, de latere op- en aanbouwen worden door bewoners vaak genoemd als niet passend bij de oorspronkelijke architectuur. In andere wijken (Schoolwerf, Bouwmeesterbuurt, Nellestein) ontstaat identiteit door een combinatie van intentionele ontwerpideeën en andere factoren. Zo zijn de blauwe daken van de bergingen in Schoolwerf een belangrijk herkenningspunten voor bewoners, hoewel de keuze voor de polyester dakelementen vooral economisch ingegeven was en vorm en kleur niet beschreven als nadrukkelijk ontwerpidee. Op vergelijkbare wijze zijn in de Bouwmeesterbuurt en Goedewerf de houten, gekleurde gevels en elementen in niet-originele kleuren juist wat bewoners het meest karakteristiek en gezellig vinden.
De architectonische identiteit wordt gevormd door een combinatie van zowel bedoelde, originele ontwerpprincipes als veranderingen in de buurt en praktijken van bewoners. Ook elementen die toevallig of economisch gekozen zijn, kunnen in loop van tijd uitgroeien tot ‘identiteitsdrager’.
Degelijke woningen
Wanneer we de waardering van bewoners voor hun woningen vergelijken, vallen ondanks de verschillende wijktypologieën veel overeenkomsten op. In bijna alle wijken noemden bewoners hun ‘eigen’ plekken het vaakst als favoriete locatie in de buurt: hun tuin, huis en hofje. Een vaak genoemde kwaliteit is het hebben van een betaalbare en relatief grote woning. Vooral de ruimtelijke opzet van de woningen wordt geprezen, waar verbindingen en zichtlijnen tussen en vanuit woonkamer, keuken en tuin worden genoemd. Dit komt voort uit verschillende populaire ontwerpideeën uit die tijd; de open keukens aan de straatzijde bieden zicht op de straat, het groen of water. De open plattegronden en de koppeling met buiten zorgen voor licht, ruimte en uitzicht.
Tegelijkertijd komen er ook duidelijke kritiekpunten naar voren, vooral rond de kwaliteit en onderhoud van materialen en constructie. Isolatie wordt genoemd als probleem bij deze woningvoorraad. De mate waarin bewoners hierin zelf maatregelen kunnen nemen is mede afhankelijk van de eigendomssituatie. In wijken waar enkel koopwoningen staan, zoals Rijnsweerd en de Koepeltjesbuurt, zijn veel huizen al geïsoleerd, terwijl in buurten met meer (sociale) huurwoningen (Bouwmeesterbuurt, Nellestein) er volgens bewoners nog weinig is veranderd.
Geknikte vormen
Een treffende omschrijving voor deze periode is niet voor niets ‘schuin en bruin’. Vooral in de jaren ’70 waren schuine vormen een belangrijk kenmerk. De verspringende, geknikte vormen van bouwmassa’s en daken, vaak in traditionele, ‘vriendelijke’ bouwmaterialen baksteen en hout, geven de buurten een gevarieerde, kleinschalige en beschutte uitstraling. We zien dit met name tot zijn recht komen in de buurten Rijnsweerd, Schoolwerf, Goedewerf en Nellestein. Respondenten waarderen hier een gevarieerd beeld dat ontstaat door het wisselend plaatsen van verschillende ‘standaard’ wooneenheden, waarin elk deel uniek is maar toch opgaat in het geheel. De bouwmassa herbergt een diversiteit aan woningtypes, verspringend in horizontale en verticale richting, met loggia’s, dakverdiepingen en maisonnettes.
Lessen uit de jaren ’70 en ’80
In dit artikel hebben we door gebruikers gewaardeerde stedenbouwkundige en architectonische attributen uit alledaagse woonomgevingen uit de jaren ’70 en ’80 uitgelicht. Het onderzoek is kwalitatief van aard, de wijken zijn divers en de deelnemers niet representatief voor alle bewoners van deze wijken. Echter, de uitkomsten laten wel overeenkomsten zien in het type attributen en de huidige waardering. Deze attributen zijn niet alleen erfgoedwaardige eigenschappen om te behouden of repareren bij toekomstige interventies. Ze zijn ook van belang voor toekomstige stedelijke planning en woningbouw zoals ook geadresseerd in de recente publicatie over groeikernen (Provoost, 2025).
Nu Nederland opnieuw met woningtekorten kampt, kunnen we leren van deze bouwperiode, waarin het lukte massaal woningen te bouwen zonder de menselijke maat of leefkwaliteit uit het oog te verliezen.
De resultaten laten zien dat Nederlandse wijken uit de jaren ‘70 en ‘80 bovenal worden gewaardeerd om hun menselijke schaal en leefbaarheid. Ze bieden een grote hoeveelheid ruime woningen in een groene omgeving voor verschillende lagen van de bevolking. Nu Nederland opnieuw met woningtekorten kampt, kunnen we leren van deze bouwperiode, waarin het lukte massaal woningen te bouwen zonder de menselijke maat of leefkwaliteit uit het oog te verliezen. Hedendaagse plannen om gemeenschapsvorming te stimuleren in nieuwbouwwijken kunnen worden gespiegeld aan de successen van woonerven en hofjes om te begrijpen hoe gedeelde ruimte gemeenschap bevordert. Geïntegreerde groenontwerpen, collectief beheer, maar ook verstening kunnen inzicht bieden voor toekomstige duurzaamheidsopgaven. Ook de nieuwe ontwerpen voor autovrije buurten kunnen geïnformeerd worden door de positieve waardering voor autoluwe woonomgevingen of de effecten van toenemende parkeerdruk.
De attributen van deze woonomgevingen zijn pas recent onder de aandacht van experts gekomen. Bewoners en andere gebruikers hebben echter al langere tijd waardevolle ervaring en kennis opgedaan over deze kwaliteiten. De beoordeling door experts kan verrijkt worden door deze te integreren met lokale kennis, en te onderzoeken waar erfgoedwaarde en gebruikswaarde conflicteren of overlappen. Vooral bij alledaags erfgoed is deze ‘hybride’ aanpak relevant, waarin de waarde niet alleen ligt in de oorspronkelijke ontwerpintentie, maar ook in het alledaags functioneren.
Meer lezen?
Meer informatie over dit project en de onderzochte wijken is hier te vinden: https://wijkwijzer.tudelft.nl/.