artikel
7 min.

Geclusterde woonvormen oplossing voor vergrijzing?

Woongemeenschap Ebbingehof, Groningen (Foto: Mirjam Klaassens)

Geclusterde woonvormen voor zelfstandig wonende senioren lijken een oplossing om de vergrijzing het hoofd te bieden. Stimuleren van het naar elkaar omkijken zou het mogelijk maken dat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen en minder eenzaam zijn. Hierdoor wordt wonen in een zorginstelling uitgesteld of zelfs voorkomen. Maar hoe houdbaar is het concept van onderlinge hulpverlening als de bewoners steeds ouder worden en welke kansen zijn er voor geclusterd wonen in de toekomst?

Er zijn veel verschillende vormen van geclusterd wonen voor zelfstandig wonende ouderen, variërend van appartementencomplexen met een ontmoetingsruimte tot wooncomplexen die gerealiseerd worden door en voor ouderen die bewust kiezen voor noaberschap. In dit onderzoek is noaberschap gedefinieerd als naar elkaar omkijken, wat betekent dat bewoners voor elkaar klaar staan, hulp bieden en van elkaar ontvangen en onderlinge sociale contacten onderhouden, bijvoorbeeld door regelmatig een praatje te maken of samen activiteiten te ondernemen.

Voor alle vormen van geclusterd wonen is er sprake van een appartementencomplex of een groep van tenminste twaalf woningen met een ontmoetingsruimte, waar overwegend ouderen wonen (Duivenvoorden et al., 2023). In de afgelopen decennia is het wonen in hofjes populair geworden: zelfstandig wonen rondom een gemeenschappelijke tuin. In de hedendaagse hofjes worden ouderen gestimuleerd om naar anderen om te kijken. Tegenwoordig zijn er meer dan 143.000 geclusterde woningen voor ouderen. De landelijke ambitie is om dit aantal voor 2030 met 80.000 te vergroten (Programma Wonen en Zorg, 2022).

Onderzoek bij wooncomplexen

Het lectoraat Gezonde Stad van de Hanze doet onderzoek naar geclusterde woonvormen voor zelfstandig wonende ouderen (Nijkamp & Van der Klauw, 2023). Studenten hebben via vragenlijsten interviews afgenomen bij bewoners van zeven verschillende wooncomplexen voor geclusterd wonen (zie tabel 1). De minimale leeftijd voor bewoners varieert per wooncomplex: van 45 jaar bij de Knarrenhoven (Aahof en Groene Hof), 50 jaar bij Ebbingehof, tot 55 jaar bij Nieuw Erasmusheem, Borgheere, Buiten Veste en Bergmanstrook. In het onderzoek zijn drie wooncomplexen meegenomen waar noaberschap onderdeel is van de gezamenlijke visie. Dit zijn nieuw gerealiseerde wooncomplexen waar senioren initiatiefnemers zijn geweest of nauw betrokken bij de realisatie. De appartementen of woningen zijn gebouwd rondom een gedeelde tuin. De andere vier wooncomplexen zijn geïnitieerd door een woningcorporatie, waarbij noaberschap niet in het concept is opgenomen. Deze zijn gebouwd in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw. Alle wooncomplexen hebben een gezamenlijke ontmoetingsruimte. Voorbeelden van andere gedeelde voorzieningen zijn een parkeerplaats met laadpaal, een fietsenstalling met oplaadpunten, een wasruimte, een gereedschapskist en een gedeelde logeerkamer. Hoewel de omgevingen van de verschillende wooncomplexen sterk van elkaar verschillen (onder andere qua mate van verstedelijking), zijn bij alle wooncomplexen winkels, horeca, een buurthuis en verschillende andere voorzieningen zoals een OV-verbinding in de buurt.

De gemiddelde leeftijd van de respondenten van beide typen woonvormen is 74 jaar en beide groepen respondenten beoordelen hun gezondheid gemiddeld nog als goed. Wel heeft een groter deel van de respondenten van de wooncomplexen zonder noaberschap in de visie al hulp nodig bij het doen van boodschappen, het huishouden en wegbrengen of halen.

Sociale contacten, gezamenlijke activiteiten en hulp

De bewoners van de op noaberschap gerichte wooncomplexen zijn over het algemeen tevredener over hun sociale contacten dan in de andere wooncomplexen. Deze bewoners organiseren zelf gezamenlijke activiteiten voor de gezelligheid, maar ook gericht op onderhoud, zoals een tuinwerkdag. De gezamenlijke activiteiten zijn alleen voor medebewoners. Een aantal bewoners heeft met name sociale contacten met medebewoners en minder met mensen die in de buurt wonen. Binnen sommige van de andere wooncomplexen wordt aanzienlijk minder deelgenomen aan de georganiseerde activiteiten. Deze activiteiten worden vooral georganiseerd door externe vrijwilligers en zijn gericht op gezelligheid. De respondenten van de wooncomplexen die gericht zijn op noaberschap geven al vaker hulp aan medebewoners. Ook verwachten zij vaker hulp aan medebewoners te gaan vragen, als zij in de toekomst (meer of andere) hulp nodig hebben.

Bovenstaande resultaten van de op noaberschap gerichte wooncomplexen stemmen optimistisch. Wat opvalt is dat de sociale contacten, de gezamenlijke activiteiten en het geven en ontvangen van hulp met name binnen het wooncomplex plaatsvinden. Het concept van naar elkaar omkijken en onderlinge hulpverlening is echter alleen houdbaar als er voldoende bewoners fit genoeg zijn om anderen te ondersteunen. Daarom is variatie in leeftijd belangrijk. In veel geclusterde woonvormen wordt naast het hanteren van een minimum leeftijd echter niet aan selectie op basis van leeftijd gedaan.

In de vier wooncomplexen die niet op noaberschap zijn gericht, is het overgrote deel van de woningen sociale huurwoning (zie tabel 1). Doordat woningcorporaties bij het toewijzen van deze woningen aan wet- en regelgeving zijn gebonden, is selectie van bewoners op basis van leeftijd niet mogelijk. Daarentegen geldt voor alle drie de onderzochte wooncomplexen die op noaberschap zijn gericht dat minimaal een deel van de woningen vrije sector huurwoningen, sociale huurwoningen,  of koopwoningen is. Voor deze woningen is selectie op basis van leeftijd wel mogelijk. Bij geen van deze wooncomplexen is in het beginstadium geselecteerd op basis van leeftijd, omdat het vooral belangrijk werd gevonden dat alle woningen daadwerkelijk werden verhuurd of verkocht. Binnen alle drie de wooncomplexen zijn de bewoners zich inmiddels terdege bewust van het belang van een qua leeftijd divers samengestelde bewonersgroep. Daarom vindt inmiddels wel selectie op basis van leeftijd plaats, zoals bijvoorbeeld door het beurtelings selecteren van de aspirant bewoner die het langst op de wachtlijst staat en de jongste wachtende aspirant bewoner.

Dit roept de vraag op of het mogelijk is om structureel ook jongere bewoners aan te trekken die hulp kunnen en willen bieden. Ouderen zelf zijn honkvast. Pas vanaf 70 jaar is er een stijgende lijn zichtbaar in het aantal verhuizingen, vaak vanwege achteruitgang van de gezondheid (Gielen, Herbers & Hitzert, 2018). Bij leeftijdsgroepen die verhuisgeneigd zijn, oftewel die een verhuizing overwegen als hun een goed alternatief wordt aangeboden, blijkt dat een derde van de empty-nesters, met een gemiddelde leeftijd van 55 à 60 jaar, verhuisgeneigd is (Crutzen & Hagen, 2020). Ook blijkt dat bij mensen in het lege nest stadium er een toename te zien is in deelname aan vrijwilligerswerk. Deze groep zou hulp kunnen bieden aan hun medebewoners en naar hen kunnen omkijken. Machielse et al. (2022) geven echter aan dat de verwachting is dat het sociale leven en de contacten van deze mensen vooral buiten het wooncomplex liggen. Dit wordt bevestigd door dit onderzoek, waaruit blijkt dat de jongere respondenten van de op noaberschap gerichte wooncomplexen die nog werken minder vaak meedoen aan groepsactiviteiten. Een verschillende daginvulling en -indeling van oudere en jongere bewoners kan een belemmering vormen voor het ontwikkelen van sociale cohesie (Lager, 2015). Er zijn echter ook projecten bekend waarbij gezinnen en ouderen in geclusterde woonvormen wonen om naar elkaar om te kijken, zoals in Hof van Leeuwensteyn in Utrecht.

Integreren in de wijk

Voor wat betreft de houdbaarheid van het bieden van hulp en het omkijken naar elkaar is het meer integreren van de geclusterde woonvorm in de wijk het verkennen waard. Qua architectuur zijn veel geclusterde woonvormen, waaronder hofjes, naar binnen gekeerd. Een meer open karakter wat betreft de fysieke verschijningsvorm en de toegankelijkheid van de gezamenlijke voorzieningen en activiteiten kan de interactie met buurtbewoners bevorderen, waardoor de bewoners minder van elkaar afhankelijk zijn en participatie in de woonomgeving wordt bevorderd. Hierdoor voorkom je dat geclusterde woonvormen het karakter krijgen van gated communities. In de onderzochte wooncomplexen met noaberschap in de visie waren overigens wel verschillende initiatieven ondernomen om contacten met de buurt te bevorderen, zoals de organisatie van een burendag.

Het integreren van geclusterde woonvormen in de wijk is een trend die zichtbaar is bij voormalige bejaardentehuizen en woonzorgcentra die zich open stellen voor de wijk. Dit doen zij bijvoorbeeld door het aanbieden van voorzieningen zoals horeca, kapper en pedicure, groepsactiviteiten voor zowel eigen bewoners als buurtbewoners en activiteiten in samenwerking met basisscholen en kinderdagverblijven. Deze woonzorgcentra hebben een wijkgerichte functie. Kan zo’n functie ook worden vervuld door geclusterde woonvormen voor zelfstandig wonende ouderen, zodat ook deze bij kunnen dragen aan de leefbaarheid van de wijk?

Voor de integratie van geclusterde woonvormen en een sociale inbedding in de wijk kan het ook bevorderlijk zijn als nieuwe bewoners uit de wijk komen. Hun levens zijn namelijk verankerd in de omgeving en zij kunnen zo hun sociale netwerk behouden, wat hun zelfredzaamheid en gevoel van eigenwaarde ten goede komt. Zo wordt niet alleen het sociale netwerk van de verhuizer in stand gehouden, maar ook dat van de achterblijvers: een grote groep zelfstandig wonende ouderen die niet zal verhuizen en mogelijk door middel van aanpassingen hun huis levensloopbestendig zal maken. Bekendheid met de omgeving zorgt er tevens voor dat mensen met geheugenproblemen en beginnende dementie langere tijd kunnen blijven participeren in de maatschappij (Klaassens & Meijering, 2021).

Dit betekent wel dat ouderen de mogelijkheid moeten hebben om te verhuizen naar een wooncomplex voor geclusterd wonen in hun bekende omgeving. Daar ligt een spanningsveld; er zijn sowieso te weinig woningen (al dan niet geclusterd) die voldoende ouderenproof zijn. Veelal wordt het initiatief tot het realiseren van nieuwe wooncomplexen voor ouderen genomen door woningcorporaties of projectontwikkelaars. Daarnaast zijn veel woningcorporaties actief bezig om appartementencomplexen waar voornamelijk ouderen wonen levensloopbestendig te maken, inclusief een gezamenlijke ruimte. Hier ligt wel een uitdaging. Zijn deze fysieke aanpassingen voldoende om ouderen langer zelfstandig thuis te laten wonen? Hoe zorg je ervoor dat mensen naar elkaar omkijken?

Daarnaast nemen groepen ouderen in toenemende mate zelf het initiatief om via een traject van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap zelf een nieuwbouwproject te ontwikkelen. Zij willen zelfstandig maar geclusterd wonen met andere ouderen, om een gemeenschap te vormen, samen activiteiten te ondernemen en naar elkaar om te kijken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Ebbingehof in Groningen, een initiatief van een aantal senioren die met gelijkgestemden willen samenwonen. Zij zijn erin geslaagd om gedurende een traject van bijna 10 jaar met ondersteuning vanuit de gemeente Groningen hun droom te verwezenlijken, maar veel anderen lukt dit niet. Er zijn te weinig locaties waar op korte termijn kan worden gebouwd en bovendien is niet elke ambtenaar enthousiast om zulke trajecten te ondersteunen. Zij vinden een groep particuliere opdrachtgevers een risico dat hen extra werk oplevert, omdat bewonersinitiatieven regelmatig uit elkaar vallen.

Kortom, de toekomst biedt kansen voor geclusterd wonen gericht op noaberschap. De onderzoeksresultaten stemmen hoopvol. Ouderen die geclusterd wonen lijken daadwerkelijk naar elkaar om te kijken, onderlinge sociale contacten te onderhouden en burenhulp te geven en te ontvangen. Kijkend naar het vergrijzingsvraagstuk, dan is het echter een relatief kleine groep ouderen die geclusterd woont. Verder staat de houdbaarheid van de woonvorm onder druk als de bewoners steeds ouder worden. Voor de houdbaarheid van de woonvorm zelf, maar ook om de gehele vergrijzing het hoofd te bieden, liggen er kansen bij een integrale benadering, waarbij het samenwonen van ouderen met jongere doelgroepen wordt verkend met aandacht voor een fysieke en sociale inbedding in de wijk. Dit zou kunnen worden bewerkstelligd door meer openheid naar de wijk wat betreft het ontwerp van het wooncomplex en de toegankelijkheid van de aangeboden voorzieningen en activiteiten. Dit alles komt ook de algehele leefbaarheid van de wijk ten goede.

Website by HOAX Amsterdam