artikel
10 min.

Inclusief wonen op zorgterreinen

Horecagelegenheid op een centrale plek in de wijk Duin en Bosch (foto: Maarten Rutten).

Wat gebeurt er als mensen zonder intensieve zorgbehoefte gaan wonen op een voormalig zorginstellingsterrein? Op verschillende plekken in Nederland transformeren instellingsterreinen naar woonwijken waar mensen met en zonder intensieve zorgbehoefte samenleven, ook wel aangeduid als omgekeerde-integratiewijken. Uit eerder onderzoek blijkt dat sociale verbinding in zulke wijken niet vanzelfsprekend is, terwijl sociale verbinding juist samenhangt met de gezondheid en het welzijn van mensen. In dit artikel onderzoeken we daarom hoe de leefomgeving in omgekeerde-integratiewijken kan bijdragen aan ontmoeting en sociale verbinding, en welke rol zorginstellingen daarbij kunnen spelen.

Zorginstellingen in de ggz- en gehandicaptensector beschikken vaak over ruime terreinen met een lange historie. Voorheen woonden mensen met een intensieve zorgbehoefte hier afgezonderd van de maatschappij, maar vanaf de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werd deze segregatie steeds vaker als onwenselijk gezien. Dit vormde aanleiding voor de overheid voor de ontwikkeling van het zogeheten ‘vermaatschappelijkingsbeleid’ (Kinsbergen, 2010; Christmas e.a., 2011; Bos, 2016). Dit beleid was erop gericht segregatie te verminderen en integratie te bevorderen, onder meer door kleinschalige woonvormen in reguliere woonwijken te stimuleren. Het beleid bracht een verhuisbeweging op gang waarbij mensen met een intensieve zorgbehoefte vanuit instellingsterreinen naar reguliere woonwijken verhuisden. Instellingsterreinen liepen geleidelijk leeg. Een gevolg was dat deze terreinen steeds meer ruimte boden dan nodig was voor de overgebleven functies.

In deze context ontstond het concept omgekeerde integratie: de verhuisbeweging in omgekeerde richting, waarbij mensen zonder intensieve zorgbehoefte gaan wonen op een instellingsterrein. Door het toevoegen van reguliere woningen aan het terrein ontstaat een wijk waar mensen met en zonder intensieve zorgbehoefte samenleven: een omgekeerde-integratiewijk. Figuur 1 illustreert dit principe. Omgekeerde integratie omvat zowel een ruimtelijke als een sociale component. De ruimtelijke integratie is een feit zodra nieuwe bewoners hun intrek nemen in de wijk. De sociale integratie — een primair doel van het vermaatschappelijkingsbeleid — komt echter niet vanzelfsprekend van de grond (Bos, 2016; Kuilder, 2021).

Sinds de jaren negentig zijn er in Nederland verschillende omgekeerde-integratiewijken ontstaan. Ook vandaag de dag transformeren zorginstellingsterreinen op diverse locaties naar dit type woonwijk. De vraag die rijst, is welke lessen deze locaties kunnen trekken van reeds getransformeerde terreinen als het gaat om het bevorderen van sociale verbinding tussen wijkbewoners met en zonder intensieve zorgbehoefte. Deze vraag vormde de aanleiding voor een onderzoeksproject van Avans Hogeschool in samenwerking met ggz-instelling Reinier van Arkel. Ook het zorgterrein in Vught (Zorgpark Voorburg) van deze ggz-instelling zal transformeren naar een omgekeerde-integratiewijk, en wordt de komende jaren opengesteld voor nieuwe bewoners.

Onderzoek

Onderzoekers van het lectoraat Duurzaam Gebouwde Omgeving en het lectoraat Gelijke Kansen op Gezonde Keuzes formuleerden de volgende twee onderzoeksvragen: Welke fysieke en sociale elementen van de leefomgeving in omgekeerde-integratiewijken worden ervaren als bevorderend voor de sociale verbinding tussen wijkbewoners met en zonder intensieve zorgbehoefte? En hoe kunnen zorginstellingen in omgekeerde-integratiewijken een actieve rol vervullen ten aanzien van deze elementen? Hierbij sloten de onderzoekers aan bij drie eerdere studies naar omgekeerde-integratiewijken (Kinsbergen, 2010; Bos, 2016; Kuilder, 2021), waarin twee in deze context belangrijke elementen van de leefomgeving werden geïdentificeerd: (1) gemeenschappelijke voorzieningen en (2) georganiseerde gezamenlijke activiteiten. Voor beide elementen geldt dat ten minste twee van de drie onderzochte studies (overtuigende) empirische evidentie leveren dat bewoners van omgekeerde-integratiewijken het element als bevorderlijk ervaren voor sociale integratie. Deze elementen vormden daarom het vertrekpunt voor een reeks interviews met professionals, bewoners en andere betrokkenen in vijf bestaande omgekeerde-integratiewijken.

De onderzoeksmethode bestond uit semigestructureerde interviews in de volgende omgekeerde-integratiewijken: Kloostervelden in Sterksel, Duin en Bosch in Castricum, Van Bergenpark in Etten-Leur, De Berkt in Veldhoven en Sterrenberg in Huis ter Heide. Daarnaast vonden er interviews plaats met betrokkenen van twee zorginstellingsterreinen waar veel reguliere woningen gebouwd gaan worden of daar plannen voor zijn, en waar tevens in het verleden al een klein aantal woningen voor bewoners zonder intensieve zorgbehoefte zijn gerealiseerd (Landgoed Veldwijk in Ermelo en Willem Arntszhoeve in Den Dolder). In totaal interviewden de onderzoekers dertien personen waaronder een oprichtster van een horeca-/leerwerkbedrijf, twee initiatiefnemers van een culturele stichting, twee wijkbewoners, en diverse professionals en managers van zorginstellingen (een wijkcoach, een directeur vastgoedontwikkeling, een manager bedrijfsvoering, een projectleider ‘samen leven in de wijk’, een casemanager zorg, een teamleider zorg, een regiomanager zorg, en een manager vastgoed, facilitair en inkoop).

Fysieke leefomgeving

Uit de interviews blijkt dat gemeenschappelijke voorzieningen in de wijk, zoals eerder benoemd in de literatuur, ook in dit onderzoek duidelijk naar voren komen als een element van de fysieke leefomgeving dat bijdraagt aan verbinding tussen wijkbewoners met en zonder intensieve zorgbehoefte. De mate waarin een gemeenschappelijke voorziening het vermogen heeft om te verbinden, hangt volgens de respondenten af van de mate waarin de voorziening aansluit op interesses, behoeften en mogelijkheden van beide groepen wijkbewoners. Hierin speelt de samenstelling van beide populaties in een wijk een belangrijke rol.

Om een indruk te geven van gemeenschappelijke voorzieningen waarvan werd aangegeven dat ze een verbindende werking hebben, volgen hier enkele voorbeelden. In de wijk Duin en Bosch, een voormalig ggz-instellingsterrein, ligt een centraal gelegen plantsoen omringd door diverse gemeenschappelijke voorzieningen. Eén daarvan is horecagelegenheid De Oude Keuken (DOK) waar buurtbewoners met en zonder complexe psychiatrische problematiek elkaar tegenkomen. In de twee omgekeerde integratiewijken De Berkt en Kloostervelden, waar mensen met en zonder verstandelijke of meervoudige beperking wonen, zijn respectievelijk een zorgboerderij en een verfplantentuin en moes- en kruidentuin gemeenschappelijke voorzieningen met een verbindende werking. De identificatie van voorzieningen met een verbindende werking steunt op ervaringskennis van respondenten. Meer inzicht in de omvang en reikwijdte van de verbindende werking, en de overdraagbaarheid naar andere omgekeerde-integratiewijken, behoeft aanvullend onderzoek.

Daarnaast kwam uit de interviews ook een ander element van de fysieke leefomgeving naar voren als invloedrijk element: de ruimtelijke positionering van zorgwoningen en reguliere woningen in de wijk. Deze ruimtelijke positionering heeft invloed op de frequentie waarmee wijkbewoners met en zonder intensieve zorgbehoefte elkaar zien en tegenkomen. In omgekeerde-integratiewijken waar deze woningen door elkaar verspreid zijn, is de kans op herhaaldelijke toevallige ontmoetingen groter. Zulke herhaaldelijke ontmoetingen kunnen bijdragen aan het herkennen en leren kennen van elkaar. In wijken met gescheiden zones — zoals een zone met alleen zorgwoningen en een zone met alleen reguliere woningen — is deze kans op herhaaldelijke ontmoetingen en het leren kennen van elkaar kleiner. Gezien de gepercipieerde invloed van ruimtelijke positionering, rijst de vraag in welke mate zorgwoningen en reguliere woningen dienen te worden afgewisseld om verbinding te kunnen bevorderen. Dit lijkt contextafhankelijk en vereist nader onderzoek.

Zorginstellingen blijken een substantiële rol te spelen in beide elementen van de fysieke leefomgeving, en hebben zo invloed op hoe en hoe vaak wijkbewoners met en zonder intensieve zorgbehoefte elkaar (toevallig) ontmoeten. Gemeenschappelijke voorzieningen met een verbindende werking zijn namelijk regelmatig gevestigd in vastgoed of op grond die eigendom is van de zorginstelling. De keuzes die zorginstellingen maken in hun rol als grond- en vastgoedeigenaar — bijvoorbeeld over de functie van een fysieke plek of het verhuren van vastgoed aan andere partijen — kunnen zo directe invloed hebben op de aanwezigheid van gemeenschappelijke voorzieningen en het verbindend vermogen ervan. Ook ten aanzien van de ruimtelijke positionering van zorgwoningen en reguliere woningen in de wijk kunnen zorginstellingen, in de periode dat er een ontwikkelvisie en een ruimtelijk plan worden gemaakt voor de nieuwe wijk, een rol vervullen via stedenbouwkundige keuzes in samenwerking met gemeenten en ontwikkelaars.

Sociale leefomgeving

De interviews bevestigen eerdere onderzoeksbevindingen over de ervaren positieve invloed van georganiseerde gezamenlijke activiteiten. Voorbeelden van dergelijke activiteiten met een verbindende werking zijn gezamenlijke activiteiten op feestdagen, burendagen en wandelavonden. Maar ook culturele evenementen zoals een zomerfestival in de wijk Duin en Bosch, of de concerten bij Toeven op de Hoeve op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve.

Naast de bevestiging dat georganiseerde gezamenlijke activiteiten bijdragen aan verbinding, kwam in dit onderzoek ook een tweede element van de sociale leefomgeving naar voren: de aanwezigheid van personen in de wijk die actief bijdragen aan het ontstaan en versterken van verbindingen. Regelmatig bleken er personen te zijn in omgekeerde-integratiewijken die als individu een sterk verbindende rol vervullen. Zoals een actieve buurtbewoner, een sociaal ondernemer of een professional van de zorginstelling. Hun aanwezigheid en inzet dragen bij aan het ontstaan van ontmoetingen en het versterken van onderlinge relaties tussen wijkbewoners. Vaak spelen deze personen ook een rol in de totstandkoming van gezamenlijke activiteiten die als verbindend worden ervaren.

Ten aanzien van beide elementen van de sociale leefomgeving — aanwezigheid van verbindende personen in de wijk en de organisatie van gezamenlijke activiteiten — vervullen zorginstellingen in de onderzochte omgekeerde-integratiewijken een zichtbare rol: door een medewerker van de zorginstelling de rol van wijkcoach te laten vervullen of te laten participeren in een buurtvereniging of wijkraad, of door gezamenlijke buurtactiviteiten te initiëren danwel te ondersteunen. De verbindende rol kan ook op een informele manier ingevuld worden. Zo kan een zorgprofessional die buiten wandelt met een client, sociaal contact met andere wijkbewoners faciliteren op een moment dat daar gelegenheid voor is.

Conclusies en aanbevelingen

Verbinding tussen bewoners met en zonder intensieve zorgbehoefte in omgekeerde-integratiewijken vraagt om gerichte aandacht. Het onderzoek laat zien hoe deze aandacht vorm kan krijgen in de fysieke en sociale leefomgeving. Samengevat komen uit de interviews vier elementen van de leefomgeving naar voren die ervaren worden als bevorderend voor sociale verbinding: (1) gemeenschappelijke voorzieningen, (2) organisatie van gezamenlijke activiteiten, (3) ruimtelijke positionering van zorgwoningen en reguliere woningen, (4) aanwezigheid in de wijk van verbindende personen. Het derde en vierde element vormen hierbij een aanvulling op de eerstgenoemde elementen die ook in eerder onderzoek naar omgekeerde-integratiewijken (Kinsbergen, 2010; Bos, 2016; Kuilder, 2021) werden geïdentificeerd.

Daarnaast blijkt uit het huidige onderzoek dat zorginstellingen ten aanzien van elk van de vier geïdentificeerde elementen een actieve rol kunnen vervullen. Via hun vastgoed- en grondbezit kunnen ze beide elementen van de fysieke leefomgeving beïnvloeden (gemeenschappelijke voorzieningen en ruimtelijke positionering van zorgwoningen en reguliere woningen), en via hun professionals kunnen ze impact hebben op de twee elementen van de sociale leefomgeving (organisatie van gezamenlijke activiteiten en aanwezigheid van verbindende personen in de wijk).

Op basis van de interviews zijn er drie richtingen voor vervolgonderzoek die relevant lijken voor het verdiepen van kennis over verbinding in omgekeerde-integratiewijken. Ten eerste is het waardevol om te onderzoeken welke overeenkomsten en verschillen bestaan tussen omgekeerde-integratiewijken op terreinen van ggz-instellingen en die van gehandicaptenzorginstellingen, specifiek wat betreft sociale verbinding en welke invulling dit vraagt van de vier elementen van de leefomgeving. Dergelijk onderzoek kan inzicht geven in waar beide typen omgekeerde-integratiewijken van elkaar kunnen leren en waar contextuele verschillen vragen om een andere invulling. Bijvoorbeeld als het gaat om gemeenschappelijke voorzieningen of de ruimtelijke positionering van reguliere woningen en zorgwoningen. Ten tweede is nader onderzoek nodig naar hoe zorginstellingen in omgekeerde-integratiewijken kunnen omgaan met verschillen binnen hun cliëntenpopulatie in relatie tot contact en verbinding met andere wijkbewoners. Een vraag hierbij is hoe recht gedaan kan worden aan eenieder. Ten derde lijkt het zinvol om onderzoek te doen naar de formele en informele aanwezigheid van zorginstellingmedewerkers met een verbindende rol. Hoe verhouden formele rollen, zoals een wijkcoach of community builder, zich tot het informeel ondersteunen van sociaal contact door een zorgprofessional tijdens spontane ontmoetingen in het dagelijks leven? Inzicht in deze verhouding helpt zorginstellingen om weloverwogen keuzes te maken over rolverdeling binnen omgekeerde-integratiewijken.

Naast aanbevelingen voor vervolgonderzoek zijn er ook praktische aandachtspunten voor zorginstellingen die betrokken zijn bij de transformatie naar een omgekeerde-integratiewijk. Voor elk van de vier geïdentificeerde elementen van de leefomgeving kunnen zij nagaan waar, in hun eigen context, kansen liggen om een actieve rol te vervullen. De interviews suggereren dat het verkennen van deze kansen steunt op een goed begrip en praktijkervaring met de diverse bewoners van de wijk. Tot slot vraagt sociale verbinding om blijvende aandacht, ook wanneer de wijk al jaren bestaat. Langdurig investeren in verbinding lijkt de sleutel tot een inclusieve woonwijk.

Website by HOAX Amsterdam