artikel
7 min.

Leren in stedelijke transformatiegebieden

De Werkplaats, M4H, Rotterdam (Foto: Eric Fecken).

Stedelijke haven- en industriegebieden zijn gewilde locaties voor het bouwen van nieuwe woningen in combinatie met het bieden van ruimte voor maakindustrie en werkgelegenheid. De noodzaak om duurzaamheidstransities zoals de energie- en watertransitie een plaats te bieden vormt hierbij een extra uitdaging. Een succesvolle transformatie van zulke gebieden vraagt om een integrale aanpak van opgaven. Hoe werken gemeenten en partners samen bij het integreren van deze opgaven in Amsterdam Haven-Stad en Rotterdam Makers District? En hoe leren zij daarin van en met elkaar?

Stedelijke haven- en industriegebieden zijn interessante locaties voor stadsvernieuwing: ze bieden de mogelijkheid om de duurzame toekomst van zowel de haven als de stad (opnieuw) uit te vinden (Daamen & Vries, 2013). Waar voorheen de haven plaats moest maken voor de stad en werken voor wonen, hebben verschillende steden nu de ambitie om deze functies te combineren om zo bij te dragen aan stads- én havenvernieuwing (Jansen et al., 2021). Dit artikel gaat in op de casus Makers District in Rotterdam waar gemeente en Havenbedrijf samenwerken om deze gedeelde ambitie te realiseren.

Daarnaast is in veel (voormalige) haven- en industriegebieden de wens om in hoge stedelijke dichtheden te bouwen waarbij duurzaamheidstransities letterlijk veel extra ruimte op eisen, zowel bovengronds als ondergronds. Zo vraagt klimaatadaptatie extra ruimte voor het vasthouden van water binnen stedelijke gebieden en hebben nieuwe elektriciteitskabels die nodig zijn om de energietransitie mogelijk te maken meer ruimte nodig dan voorheen. Dit is zeker het geval in Haven-Stad in Amsterdam, de tweede casus die centraal staat in dit artikel: een nieuw deel van de stad waar tot 70.000 woningen en tot 35.000 arbeidsplaatsen gerealiseerd zullen worden. Dat betekent dat er in hoge dichtheden gebouwd gaat worden waarbij de gemeente een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat wil bieden.

In beide gebieden is een business as usual aanpak niet langer toereikend. Professionals die aan de transformatie van deze locaties werken zien zich genoodzaakt om hun werkwijze aan te passen om een integrale aanpak te bereiken (Frantzeskaki, et al. 2017).  Het is nodig om nieuwe samenwerkingen te smeden om deze uitdagingen aan te gaan waarbij gezamenlijk leren vereist is om bestaande werkpraktijken te kunnen veranderen (Eikelenboom en van Marrewijk, 2023). Zulke innovatieve benaderingen botsen in de praktijk echter vaak met de gevestigde structuren binnen organisaties (Stam et al., 2023). Naast het veranderen van werkpraktijken moeten daarom ook de onderliggende systemen veranderen.

Vraaggericht actieonderzoek

Dit artikel blikt terug op vijf jaar actieonderzoek (2020-2025) en analyseert het samenwerken en -leren van gemeenten en partnerorganisaties in twee casussen: Rotterdam Makers District en Amsterdam Haven-Stad. Het onderzoek is uitgevoerd binnen het NWO-programma Stepping Out waar Stam en Peek (2020) al eerder over schreven in Rooilijn. In beide casussen is het onderzoek ontstaan vanuit bestaande relaties tussen praktijkprofessionals en onderzoekers, bouwend op bestaande praktijkvragen. Daardoor hebben beide casussen een andere insteek wat betreft focus (type transities), betrokken partijen en de rol die leren speelt in het samenwerken. Stepping Out is dus geen vergelijkend onderzoek: juist de verschillen tussen de casestudies helpen om het leren van praktijkprofessionals en hun organisaties beter te begrijpen.

In Rotterdam lag de focus van het onderzoek op de samenwerking tussen de gemeente en het Havenbedrijf voor een innovatieve en duurzame herontwikkeling van het Makers District, met name het Merwe-Vierhavensgebied (M4H). Het onderzoek richtte zich hierbij op de sociaaleconomische transitie van het gebied en op het leerproces over de lange termijn. In Amsterdam Haven-Stad richtte het onderzoek zich op de samenwerking tussen de gemeente, waterbedrijf Waternet, energie netbeheerder Liander en energieaanbieder Vattenvall. Zij werken samen aan het Integraal Gebiedsplan (IGP) Haven-Stad: een nieuwe werkwijze voor de duurzame infrastructuur. Het onderzoek richtte zich op de duurzaamheidstransities, met specifieke aandacht voor de water- en energietransitie. De onderzoeks-lens lag in tegenstelling tot de Rotterdamse casus op het detailniveau van leren tussen professionals en hun organisaties binnen het IGP Haven-Stad.

Nieuwe vormen van samenwerking

Zowel in Rotterdam als in Amsterdam werkten de betrokken partijen samen in nieuwe organisatievormen. In Rotterdam vonden de gemeente en het Havenbedrijf elkaar in een programmabureau met een fysieke locatie in M4H. In de periode van het onderzoek werkte dit team aan de vertaling van de strategische visie voor het Makers District in een concreet bestemmingsplan voor de gebiedsontwikkeling van M4H, het deel van het Makers District waar de fysieke gebiedsontwikkeling voornamelijk plaatsvindt.

In Amsterdam werd in de onderzoeksperiode voor het IGP Haven-Stad een kerngroep geformeerd. In een vroegtijdige fase van de planvorming werden verschillende opgaven in kaart gebracht en ‘ontwerpateliers’ georganiseerd: bijeenkomsten waarbij belangrijk straten of profielen centraal stonden. Deze werkwijze was nodig vanwege de schaarse ruimte en de complexe integrale puzzel. De gebruikelijke werkwijze waarbij de gemeente aangeeft welke voorzieningen op welke locaties nodig zijn heeft haar grenzen bereikt. Partijen moeten dus gezamenlijk naar nieuwe oplossingen zoeken om alle opgaven een plek te bieden en tot een aantrekkelijk stedelijk gebied te komen. Anders dan in Rotterdam, was er geen vaste fysieke locatie voor het samenwerkingsverband.

De twee uiteenlopende casussen laten zien dat reflectie op de volgende aspecten behulpzaam kan zijn bij het faciliteren van leren voor duurzaamheidstransities: onderwerp, organisatie en opzet. We bespreken deze aspecten in de volgende paragrafen.

Onderwerp: abstract én concreet

Het is belangrijk om het onderwerp van leren soms abstract en soms concreet te maken, en dat niet te zien als een lineair proces van abstract naar concreet, maar als een iteratief proces door in- en uit te zoomen. In de Amsterdamse casus werd eerst een gezamenlijke probleemstelling geformuleerd op een abstract niveau voor het hele gebied zodat de neuzen dezelfde kant op stonden. Vervolgens werd het onderwerp voor samenwerking snel concreet gemaakt. Zo was het een bewuste keuze om tijdens het IGP-proces specifieke straatprofielen te bespreken. Door die focus bereikten de partijen het niveau waarbij ze letterlijk de diepte in konden gaan en bijvoorbeeld aannames over de ligging van bepaalde kabels en leidingen konden uitpellen. Geregeld uitzoomen naar de hogere doelstellingen voor het hele gebied was daarbij ook belangrijk. De casus van het Rotterdam Makers District laat zien dat het ook belangrijk is om op een hoger abstractieniveau van en met elkaar te leren. De gemeente en het Havenbedrijf vonden elkaar in het formuleren van gezamenlijke uitgangspunten voor het gebied en stelden het Ruimtelijk Raamwerk op waarin deze uitgangspunten werden verankerd. Dit Ruimtelijk Raamwerk als gezamenlijk doel dat tegengestelde belangen bij elkaar brengt (uitzoomen) was nodig om de stap naar het concrete te kunnen maken. De valkuil is wel dat mensen en organisaties het op een hoger abstractieniveau relatief snel met elkaar eens zijn en dat de pittigheid, en spanningen die dat met zich mee kan brengen, vaak juist in de concrete uitwerking zit. Maar voor een integrale aanpak van gebiedstransformaties is dus zowel abstract als concreet leren belangrijk.

Organisatie: inhoud én werkwijzen

Als het gaat om de organisatie van het leren, zijn zowel de inhoud als de werkwijzen relevant. Een integrale aanpak van gebiedstransformaties betekent dat mensen over de grenzen van organisaties en disciplines samenwerken en -leren. Daarom is het belangrijk dat in nieuwe samenwerkingsverbanden en -vormen niet alleen geleerd wordt over de inhoud, maar ook over de werkwijzen van ‘de ander’ en hoe beide partijen de (nieuwe) samenwerking willen organiseren. In het Rotterdam Makers District bleek bijvoorbeeld dat de gemeente en Havenbedrijf heel anders werken, wat vaak botste in de uitvoering van de gezamenlijke ambitie. Een voorbeeld is het verschil in de duur van besluitvormingsprocessen. De klantgerichte werkwijze van het Havenbedrijf vraagt om snel schakelen, terwijl de gemeente alle stappen van het ontwikkelproces af gaat. Pas later werd er bewust tijd en energie gestoken in het leren kennen van de werkwijzen van de ander en hoe de partijen de onderling samenwerken en -leren konden verbeteren.

Iets vergelijkbaars geldt voor Amsterdam Haven-Stad. Gedurende de uitwisseling kwam bijvoorbeeld aan het licht dat planningstermijnen voor de verschillende organisaties verschillend zijn. Die kennis was essentieel om de gezamenlijke planning op elkaar af te stemmen. Om het samenwerkingsproces voor het IGP te vergemakkelijken werd voorafgaand aan bijeenkomsten expliciet stilgestaan bij spelregels voor samenwerken en -leren. Zoals het aannemen van een onderzoekende nieuwsgierige houding in plaats van het centraal stellen van het eigen belang, ruimte voor doorvragen als iets niet helder is en openheid om iets niet zeker te weten.

Opzet: bewust én onbewust

Het derde aspect dat bij leren een rol kan spelen op basis van de ervaring met Stepping Out is dat leren heel bewust maar soms ook onbewust plaats kan vinden. In het kernteam van het IGP Haven-Stad stond leren expliciet op de agenda. Met en van elkaar leren vormde vanaf de start een belangrijk onderdeel van het IGP-proces, met als doel om werkpraktijken en structuren te kunnen veranderen. Daarnaast volgde een deel van de betrokken professionals een leergang systeeminnovatie onder leiding van professor John Grin van de Universiteit van Amsterdam. In het Rotterdam Makers District stond leren niet expliciet op de agenda. De wortels van de innovatieve ambitie voor het Makers District liggen in de reguliere processen voor gebiedstransformaties die niet bedoeld waren om anders werken te bevorderen. De ambitie van de gemeente en Havenbedrijf om tot een meer geïntegreerde gebiedsontwikkeling te komen vroeg wel om andere manieren van werken, maar aangezien er geen traditie was om leren expliciet op de agenda te zetten, werd dat in de nieuwe fase ook niet gedaan. Dat betekent niet dat er niet werd geleerd. Uit interviews en een workshop die in het kader van onderzoeksproject Stepping Out werden georganiseerd deelden deelnemers verschillende leermomenten en nieuwe inzichten.

Handvaten voor professionals

Dit artikel laat zien dat een analyse van twee verschillende casussen, nieuwe inzichten kan bieden in leerprocessen die een rol spelen bij het ontwikkelen van nieuwe werkwijzen ten behoeve van transities en de transformatie van stedelijke (haven)gebieden. Dit biedt handvaten voor professionals, om bewuster met leren om te gaan als ze aan transities en transformaties van stedelijke gebieden werken.

Dankwoord

Dit artikel bouwt voort op een presentatie voor de AMS-conferentie Reinventing the city 2024 in Amsterdam (van Ewijk, et al. 2024). We danken de teamleden van Stepping Out Paul W. Chan, Michaela Hordijk, Gert-Joost Peek, Maaike van Heijningen en John Heintz voor hun inbreng en het conceptualiseren van het artikel, en deelnemers van de conferentie voor hun reflecties. Daarnaast danken we alle deelnemers aan het onderzoek en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de financiering van het onderzoek.

Website by HOAX Amsterdam