artikel
14 min.

Luwteplekken in een hypernerveuze samenleving

Figuur 1. De dynamiek van de stad biedt mogelijkheden, maar brengt ook drukte en stress met zich mee. (Foto: Joris van Gennip, 2025).

Eind vorig jaar verscheen het rapport Op de rem van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS, 2025), waarin wordt gesteld dat ons mentaal welzijn onder druk staat. Het rapport spreekt van een ‘hypernerveuze samenleving’, waarin psychische kwetsbaarheid toeneemt en een steeds grotere groep mensen raakt. Hoewel er steeds meer aandacht is voor mentaal welzijn, blijft de rol van de leefomgeving daarin vaak onderbelicht. Dit artikel verkent daarom hoe de stedelijke leefomgeving samenhangt met mentaal welzijn.

Binnen de omgevingspsychologie is onderzoek gedaan naar omgevingen die restorative zijn (Kaplan & Kaplan, 1989; Ulrich, 1991). Dat onderzoek richt zich met name op de herstellende kwaliteiten van natuurlijke en parkachtige omgevingen. Minder onderzocht is hoe en in welke mate de stad zelf kan bijdragen aan herstel van stress en mentale vermoeidheid. De vraag hoe de stad kan bijdragen aan herstel wordt steeds belangrijker omdat de verstedelijking zich in hoog tempo voortzet en de druk op ruimte en verdichting toeneemt (CBS, 2024; UN-Habitat, 2022). De stad vormt daarom voor een groeiend deel van de bevolking de dominante leefomgeving, terwijl toegang tot natuurlijk landschap en ruimte voor binnenstedelijk groen minder vanzelfsprekend is. Juist binnen verdichtende steden worden kleinschalige plekken in de alledaagse stedelijke omgeving relevant als plekken voor rust en herstel. Dit artikel gebruikt daarvoor het begrip luwteplekken, zoals dat is geïntroduceerd door Peymen en Jellema (2017). Met luwteplekken doelen zij op stedelijke plekken waar rust, verstilling en tijdelijke beschutting kunnen ontstaan binnen de dynamiek van het stedelijke leven.

Dit artikel is gebaseerd op literatuuronderzoek, aangevuld met gesprekken met ontwerpers, beleidsmakers, onderzoekers en ervaringsdeskundigen uit zowel praktijk als wetenschap. Vanuit deze combinatie wordt verkend hoe luwteplekken kunnen bijdragen aan mentaal welzijn, in het bijzonder via hun rol in herstel. De focus ligt daarbij op de ruimtelijke eigenschappen van de stad zelf en de manier waarop deze bijdragen aan herstel. Deze benadering van de stad als mogelijke herstelomgeving plaatst de vraag naar mentaal welzijn nadrukkelijk binnen het domein van stedelijk ontwerp en beleid. Mentaal welzijn staat niet los van de omgeving waarin we leven, maar is er diep mee verweven. De opgave is dan ook niet alleen om de stad minder belastend te maken, maar haar zó te ontwerpen dat ze actief kan bijdragen aan herstel en een gevoel van verbondenheid.

De manier waarop we de stad ervaren laat zien hoe sterk mens en omgeving met elkaar verweven zijn. Onze leefomgeving vormt geen neutraal decor, maar een actief krachtenveld dat gedrag, stemming en herstel mede vormgeeft. Psycholoog Gibson (1979) introduceerde het begrip affordances om te beschrijven hoe de omgeving mogelijkheden biedt voor handelen en ervaren, oftewel hoe ruimtelijke kenmerken uitnodigen tot gedrag en ervaring. In het verlengde daarvan kan de stedelijke omgeving worden begrepen als een landscape of affordances (Habets et al., 2024): een samenhangend geheel van mogelijkheden tot handelen en ervaren, waaronder ook de ervaring van herstel. Herstel is in deze benadering niet uitsluitend gebonden aan natuurlijke omgevingen of situaties van afzondering, maar ingebed in het alledaagse ritme van stedelijke plekken die rust, beschutting en betrokkenheid bieden.

Onze leefomgeving vormt geen neutraal decor, maar een actief krachtenveld dat gedrag, stemming en herstel mede vormgeeft
De invloed van de omgeving op ons welzijn

Binnen de stedelijke context spelen zogenoemde trusted urban places (Rietveld et al., 2019) een belangrijke rol: plekken die door herhaald gebruik vertrouwd raken en onderdeel worden van het dagelijks ritme. Zulke plekken bieden herkenning, vertrouwdheid en de mogelijkheid om spanning te reguleren. Juist kleinschalige openbare ruimtes kunnen hierin betekenisvol zijn, omdat zij ruimte bieden voor kwaliteiten als rust, beschutting en betrokkenheid. Soms zijn deze bewust ontworpen, zoals hofjes, omsloten openbare tuinen of waterkanten, en soms ontstaan ze meer toevallig als informele stedelijke restplekken. Wanneer deze plekken onder druk komen te staan door verdichting en het verdwijnen van kleinschalige, informele ruimtes, raakt dat aan het vermogen om zich vrij en zonder overprikkeling door de stad te bewegen en het eigen ritme te reguleren, kwaliteiten die Habets et al. (2024) verbinden aan trusted urban places.

Waar het affordance-perspectief zich richt op de mogelijkheden die de omgeving biedt voor handelen en ervaren, onderzoekt de neurourbanistiek hoe zulke ruimtelijke prikkels lichamelijk en neurologisch doorwerken. In een gesprek in het kader van dit artikel wijst neurologe en architect Alexandra Correll erop dat “het brein voortdurend reageert op de ruimte waarin we ons bevinden, vaak zo vanzelfsprekend dat het buiten ons bewustzijn blijft.” In de stedelijke omgeving beïnvloeden licht, geluid, dichtheid en schaal voortdurend hoe mensen zich voelen en gedragen. Dat herkennen we uit alledaagse situaties: hoe het lichaam onbewust vertraagt in een nauwe steeg, of hoe ademhaling en spierspanning zich aanpassen bij het betreden van een stille, omsloten plek in de hectiek van de stad. De neurourbanistiek verbindt daarmee gedragsmatige en neurologische inzichten en laat zien dat de relatie tussen mens en ruimte niet alleen sociaal of cultureel is, maar ook lichamelijk verankerd.

In dit verband beschrijven Adli et al. (2017) hoe stedelijke stress ontstaat uit het samenspel van sociale dichtheid en ervaren isolatie: veel mensen op weinig ruimte, maar toch gevoelens van eenzaamheid of vervreemding. Vooral wanneer mensen weinig grip ervaren op hun omgeving, neemt het risico op stress en mentale klachten toe. Adli et al. (2017) verbinden dit aan environmental mastery: het vermogen om grip te ervaren op de omgeving en het eigen gedrag daarin. De stad werkt dus continu door op emotioneel en lichamelijk niveau, en vormt daarmee een belangrijke context voor mentaal welzijn.

Kwetsbaarheid in de stad: ruimte als bondgenoot

De invloed van de stad op het gemoed wordt misschien wel het meest zichtbaar in situaties van kwetsbaarheid: wanneer mensen, door verlies of overbelasting, extra gevoelig zijn voor wat de stad met hen doet.

In de gesprekken die voor dit artikel zijn gevoerd met ervaringsdeskundigen krijgt die kwetsbaarheid een duidelijke ruimtelijke dimensie: ze laten zien hoe bepaalde plekken in de stad kunnen functioneren als bondgenoot in het omgaan met spanning en herstel. Waar de neurourbanistiek de werking van de stad op het brein blootlegt, laten hun verhalen zien hoe mensen daar in hun dagelijks leven betekenis aan geven: hoe zij in bepaalde plekken houvast, overzicht of beschutting vinden wanneer het leven onder druk staat.

Eén van de ervaringsdeskundigen die langere tijd zonder vaste verblijfplaats leefde, vertelde: “Thuis heeft voor mij heel lang onveilig gevoeld. Dus ik had plekken in de stad nodig waar ik me even kon terugtrekken.” Zulke plekken boden volgens haar niet alleen beschutting, maar ook een gevoel van overzicht en controle. Over de plekken die zij als kind opzocht, zegt ze: “Ik wilde de ander kunnen zien, maar de ander moest mij niet zien. Of in ieder geval niet het gevoel hebben: daar loop ik even naartoe.” Ze beschreef hoe die behoefte niet alleen te maken had met veiligheid, maar ook met schaamte: de wens om aanwezig te kunnen zijn zonder bekeken te worden, om deel te blijven van de stad zonder er middenin te staan. Juist die balans tussen nabijheid en afstand kon ruimte scheppen voor herstel: “Dan hielp het enorm om een plek te vinden in de stad waar ik dat veilige gevoel wél had. Een plek waar ik weer even tot rust kon komen.”

De stad voedt mijn hart en mijn vak, maar ik moet mijn aanwezigheid daar zorgvuldig doseren
stedenbouwkundige

Een stedenbouwkundige die na een auto-ongeluk langdurig moest revalideren en sindsdien snel overprikkeld raakt, verwoordde het zo: “De stad voedt mijn hart en mijn vak, maar ik moet mijn aanwezigheid daar zorgvuldig doseren. Ik begrijp daarom heel goed hoe belangrijk het is voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel, of voor iedereen die om andere redenen gevoelig is voor prikkels, dat er plekken van rust en beschutting zijn.” Deze persoonlijke verhalen laten zien hoe kwetsbaarheid zich niet alleen sociaal, maar ook ruimtelijk uitdrukt: in de behoefte aan plekken die bescherming en overzicht bieden binnen de stedelijke dynamiek. Wat in deze individuele ervaringen voelbaar wordt, lijkt ook op stedelijk niveau herkenbaar: de spanning tussen toenemende drukte en verdichting enerzijds en de behoefte aan plekken van rust en herstel anderzijds.

De hypernerveuze stad

De toenemende verstedelijking lijkt de ruimtelijke uitdrukking te vormen van wat de RVS de hypernerveuze samenleving noemt: een samenleving waarin versnelling, prikkeldichtheid en prestatiedruk toenemen. In de stedelijke werkelijkheid krijgt dit gestalte in dichtheid, tempo en zintuiglijke intensiteit. Waar de stedelijke intensiteit toeneemt, rijst de vraag hoe die druk op ruimte en zintuigen ons mentaal welzijn beïnvloedt. Stedelijke intensiteit hoeft zeker niet uitsluitend negatief te worden geduid: wat voor de één overprikkelend is, kan voor de ander juist functioneren als een vorm van positieve afleiding die herstel ondersteunt (Ulrich et al., 1991). Stedelijke prikkels kunnen daarmee, afhankelijk van de situatie en de persoon, óók bijdragen aan herstel. Dit ambivalente karakter van stedelijke intensiteit wordt ook zichtbaar in onderzoek van Beenackers et al. (2024). Hun onderzoek laat zien dat stedelijke verdichting zowel risico’s als kansen biedt. Stressfactoren zoals geluid en prikkeldichtheid nemen toe, terwijl nabijheid van voorzieningen en sociale interactie juist kunnen bijdragen aan welzijn. Beslissend is daarmee niet zozeer de mate van verdichting, maar de kwaliteit van de ruimtelijke invulling, inclusief de ruimte die binnen verdichte steden ontstaat voor rust en herstel.

“De druk op de openbare ruimte enorm geworden. Alles wordt benut, elk stukje moet iets doen.”
ontwerper Jaco Kalfsbeek

In gesprekken met ontwerpers en onderzoekers werd duidelijk hoezeer verstedelijking de mogelijkheid tot rust en herstel onder druk zet. Zoals Jaco Kalfsbeek, hoofdontwerper van de binnenstad van Groningen, opmerkt, is “de druk op de openbare ruimte enorm geworden. Alles wordt benut, elk stukje moet iets doen”. Volgens hem heeft dit ertoe geleid dat veel binnenterreinen vrijwel volledig zijn volgebouwd, waardoor de fijnmazigheid van de binnenstad grotendeels verloren is gegaan. Dat verlies aan fijnmazigheid raakt niet alleen de ruimtelijke structuur, maar ook de mogelijkheid om het eigen gedrag in de stad te sturen. Waar alternatieve routes, rustpunten en schakelruimtes verdwijnen, wordt het moeilijker om afstand te nemen van de stroom van mensen en prikkels. Daarmee komt ook de ervaren grip op de omgeving, oftewel environmental mastery, onder druk te staan.

In de spanning tussen economische druk en publieke betekenis van de openbare ruimte wijst Sjoerd Feenstra, stadsbouwmeester van Zwolle, erop dat de ontwerpopgave juist daar ligt waar financiële haalbaarheid en ruimtelijke kwaliteit elkaar raken: “De realiteit is dat gebiedsontwikkeling in hoge mate wordt gestuurd door financiële haalbaarheid; de businesscase moet kloppen. Die economische druk is zo dominant geworden dat ontwerpers er onvermijdelijk in moeten meebewegen om tot meerlagige kwaliteit te komen. Het vraagt om ontwerpstrategieën waarin zachte waarden zoals rust, verblijf en vertraging slim worden gekoppeld aan transformatiedruk.” Volgens hem is dat niet alleen een praktische, maar ook een principiële kwestie. “Dat het zo lastig is om plekken zonder directe economische waarde overeind te houden, komt voort uit het huidige systeem. In die context is het des te urgenter om te onderzoeken hoe binnen dat krachtenveld ruimte kan ontstaan voor publieke betekenis.”

De spanning tussen economische druk en ruimtelijke kwaliteit komt ook naar voren in het gesprek met landschapsarchitect Saskia de Wit en sluit aan bij haar eerdere werk (De Wit, 2018). Zij beschrijft hoe de uitdijende metropolitane werkelijkheid het onderscheid tussen stad en land heeft vervaagd, waardoor veel van het stedelijk landschap aan identiteit heeft ingeboet. Dit vergroot de behoefte aan herkenbare plekken die als ankerpunten kunnen functioneren binnen het anonieme stedelijke landschap. Volgens haar ligt de uitdaging van stedelijke verdichting dan ook niet in meer of minder dichtheid, maar in de kwaliteit van de tussenruimte: de plekken tussen functies en structuren waar ruimte kan ontstaan voor verblijf, oriëntatie en, in de context van dit artikel, luwte. Zowel de observaties van Feenstra als de analyse van De Wit maken zichtbaar hoe de rijkdom aan ruimtelijke schakeringen onder druk komt te staan. Juist in deze verschraling wordt de behoefte aan plekken van rust en beschutting zichtbaar.

Luwteplekken als stedelijke herstelruimtes

Juist binnen steden waar de druk op de ruimte en de verdichting toenemen, worden luwteplekken relevant. Architect en onderzoeker Geert Peymen beschrijft zo’n plek als “een plek in de rivier waar de stroming geen vat op heeft.” Een plek waar de stedelijke dynamiek niet verdwijnt, maar tijdelijk wordt getemperd. Het begrip luwteplek wordt door Peymen en Jellema (KU Leuven, 2017) beschreven als aanduiding voor stedelijke ruimtes waar rust, beschutting en verstilling kunnen ontstaan. Veelzeggend is dat de term mede voortkomt uit onderzoek naar bouwen voor mensen met autisme (Schrameijer, 2013), waarin luwte wordt begrepen als voorwaarde voor oriëntatie en zintuiglijke rust.

Peymen en Jellema onderscheiden verschillende ruimtelijke parameters die zulke plekken kunnen ondersteunen, zoals omslotenheid, poreusheid, betekenis, contrast, relationaliteit en niet-toe-eigening. Deze parameters beschrijven verschillende ruimtelijke en sociale kwaliteiten van luwteplekken. In samenhang beschrijven zij geen vast type plek, maar een ruimtelijke kwaliteit: een situatie waarin rust kan ontstaan zonder dat de plek zich volledig van de stad afsluit. Luwteplekken zijn dan ook geen geïsoleerde eilanden. Ze ontstaan juist in relatie tot de stad. Ze functioneren als schakelmomenten waarin de stedelijke stroom wordt gefilterd en vertraagd. Subtiele overgangen, zoals een poort, een steeg of een binnenhof, spelen daarin een belangrijke rol en creëren vaak een geleidelijke overgang tussen openbaarheid en beschutting, tussen beweging en verstilling.

Luwteplekken bieden ruimte voor rust, overzicht en betrokkenheid.
Voorbeelden uit de praktijk

Hoe dat eruit kan zien, wordt duidelijk in concrete stedelijke situaties. Het A-Kerkhof in Groningen laat zien hoe relatief kleine ingrepen grote betekenis kunnen hebben (figuren 3 en 4). Door subtiele veranderingen in materiaalgebruik , beplanting en schaal ontstaat een geleidelijke overgang van de drukke binnenstad naar een meer beschutte ruimte. De dynamiek van de stad blijft zichtbaar, maar wordt gefilterd, waardoor een plek ontstaat waar rust mogelijk is zonder afzondering.

Een ander voorbeeld is de Mauritstuin in Groningen (figuur 2), een door bewoners ontwikkelde tuin in een binnenterrein. Hier is luwte niet bewust ontworpen, maar ontstaan door gebruik en toe-eigening door bewoners. De kwaliteit van de plek ontstaat uit de combinatie van beplanting, beslotenheid en zorg voor de plek. Ook de geschiedenis speelt daarin mee: op het terrein stond voorheen de Mauritsschool, waarvan nog restanten zichtbaar zijn in de tuin, die bijdragen aan de gelaagdheid en betekenis van de plek.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat luwte kan ontstaan via verschillende routes: door ontwerp, herinterpretatie of gebruik. Wat ze gemeen hebben, is dat ze ruimte bieden voor rust, overzicht en betrokkenheid.

Zorg voor stedelijke luwte

De toenemende druk op stedelijke ruimte vraagt om een andere manier van kijken naar de stad: niet als een volledig geprogrammeerd systeem, maar als een gelaagd geheel waarin ook ruimte is voor het informele, de tussenruimte en het niet-direct functionele. In bestaande situaties betekent zo’n benadering allereerst: versterken wat er al is. Door aandacht voor schaal, materiaal, akoestiek en zintuiglijke kwaliteit kunnen verborgen luwteplekken opnieuw betekenis krijgen en beter worden verankerd in de stad. Tegelijk vraagt het creëren van stedelijke luwte ook om het scheppen van nieuwe condities. Niet alleen door zulke plekken expliciet te ontwerpen, maar ook door ze mogelijk te maken binnen ruimtelijke regels en ontwikkelprocessen. Zoals Kalfsbeek stelt, ligt daar een fundamentele ontwerpvraag: hoe kan binnen de logica van verdichting en ontwikkeling structureel ruimte worden gereserveerd voor luwte?

Luwteplekken zijn kwetsbaar. De condities die zulke plekken dragen, rust, beschutting en vertrouwdheid, blijken moeilijk te behouden in een stedelijke context die steeds intensiever wordt gebruikt (Beenackers et al., 2024). Verdichting, economische druk en programmatische efficiëntie laten weinig ruimte voor informele of niet-geprogrammeerde plekken, terwijl juist daar de kiem ligt van ruimtelijke kwaliteit. De opgave ligt daarmee niet alleen in het verminderen van stedelijke druk, maar in het bewust vormgeven van een stedelijke omgeving waarin ook rust, beschutting en oriëntatie een plek krijgen. In die zin kan de stad, naast haar intensiteit en dynamiek, óók worden begrepen als een restorative environment: een omgeving die niet alleen belast, maar juist ook de condities kan bieden voor herstel en mentale veerkracht in een hypernerveuze samenleving.

Met dank aan de geïnterviewden voor het delen van hun inzichten en expertise, en in het bijzonder aan de ervaringsdeskundigen voor hun persoonlijke verhalen. Daarnaast dank ik Saskia de Wit en Jeannette Nijkamp voor hun waardevolle opmerkingen tijdens de totstandkoming van het artikel.
Website by HOAX Amsterdam