artikel
12 min.Noaberschap: van grondslag voor boerengemeenschap tot plattelandsromantiek
In het oosten van het land heeft gemeenschapszin een bijzondere plek in de regionale geschiedenis. Daarbij speelt één begrip een hoofdrol: noaberschap. Vaak aangehaald als het onmisbare ingrediënt van hechte dorpsgemeenschappen en als het sociale hart van de regio. Er heersen veel aannames en diverse denkbeelden over diepgewortelde waarden van de regionale cultuur. In opdracht van de Provincie Overijssel en in samenwerking met de Overijssel Academie en Rijksuniversiteit Groningen kwam begin dit jaar een onderzoeksrapport over noaberschap uit. Daarin bestrijken we een periode van de middeleeuwen tot nu. Dit artikel gaat in op het ontstaan, de betekenis en de ontwikkeling van noaberschap.
Met de huidige heropleving van de regio gaat het steeds vaker over ‘noaberschap’. Je leest het terug in kranten, beleidsprogramma’s, coalitieakkoorden, verkiezingscampagnes, nieuwe vrijwilligersinitiatieven en festivalprogramma’s. ‘Noaberschap zit in ons bloed,’ staat op de eerste pagina van het Overijsselse coalitieakkoord (2023-2027). Het prijkt zelfs op de etiketten van bierflesjes en smeersalades uit de streek. ‘Noaber’ is een Nedersaksisch begrip dat staat voor ‘nabuur’, oftewel een van de buren. Met noaberschap wordt doorgaans gerefereerd aan traditionele burenhulp. De ouderwetse, dorpse saamhorigheid, het omzien naar elkaar en het klaarstaan voor elkaar, waarmee het platteland in Oost-Nederland dikwijls wordt gekarakteriseerd. Op basis van een recentelijk verschenen onderzoeksrapport geeft dit artikel duiding aan noaberschap middels een bespreking van de historische ontwikkeling en veranderende betekenis van het eeuwenoude fenomeen.
De oorsprong van noaberschap in het lokaal bestuur
De zoektocht naar de oorsprong van noaberschap voert ons ver terug in de tijd. Vanaf de vroege middeleeuwen (ca. 750–1000) bestond Overijssel uit tal van kleine, grotendeels zelfvoorzienende boerengemeenschappen. Bij voorkeur vestigden groepen zich op de hogere zandgronden boven de beken. Daar lagen de akkers. In de beekdalen lagen de graslanden voor de veedieren. Dergelijke nederzettingen waren vooral te vinden in Noord-Twente, op de westoever van de Regge, aan de Vecht bij Ommen en op een strook hogere gronden bij Deventer. Pas later kwamen nieuwe ontginningen in de natte laagveengebieden (ca. 1100-1300), zoals in de omgeving van Vollenhove, Kampen en Vriezenveen.
Dorpsgemeenschappen organiseerden zich als buur- of boerschappen: een kleinschalige samenlevingsvorm rond een woonkern met het omringende land. De buurschap beheerde het ontgonnen land, regelde het onderhoud van infrastructuur (wegen, bruggen, sloten) en verdeelde gezamenlijke lasten, zoals belastingen. Om het gebruik van de onverdeelde gronden te ordenen ontstonden vanaf de dertiende eeuw de markegenootschappen. Een marke omvatte de onontgonnen of gemeenschappelijke gronden (heiden, weiden, venen, bossen, zandgraverijen) die bij een buurschap of nederzetting hoorden. Met afspraken en keuren werd conflictpreventie geregeld. Rond 1600 telde Overijssel ruim 120 markegenootschappen. Ook elders in de lage landen bestonden vergelijkbare instituties: meenten in Friesland en Groningen, gemeynt in Brabant, vroen of vroente in Vlaanderen. Daarnaast was er ook de kerkelijke organisatie met de kerspels (vanaf de elfde eeuw): territoria van parochies binnen een bisdom, kortom het gebied dat aan een kerk toebehoorde. Dit toponiem leeft nog altijd voort in gemeentenamen als Achtkarspelen en Bovenkarspel. Het bestuur van de buurschappen, marken en kerspels bleef vaak beperkt tot een kleine kring van adel, stadsregenten en geestelijken.
De normen en tradities van noaberschap
De sociale grondslag van een buurschap bestond uit saamhorigheid en solidariteit. Men was voor vrijwel alles in het dagelijks leven op elkaar aangewezen. In de geïsoleerde boerengemeenschappen werd dan ook veelvuldig onder elkaar getrouwd, maar naast de hechte familieverbanden waren er ook andere structuren bepalend voor de sterke sociale samenhang in de kleinschalige gemeenschap. In haar belangwekkende boek Governing the commons benadrukt nobelprijs-winnaar Elinor Ostrom (1990) de rol van sociale normen. Leden van een gemeenschap die afhankelijk zijn van elkaars hulp en van gemeenschappelijke bronnen als weidegronden, bossen en wateren, hebben volgens Ostrom de neiging om onderlinge gedragsregels te ontwikkelen. De sociaal-morele orde bestond uit onderlinge burenplichten, wat er van elkaar werd verwacht werd soms al nabuurschap of noaberschap genoemd. De gehele gemeenschap droeg bij aan het boerenwerk: oogsten, dorsen, hooien, enzovoort. Bij geboortes, ziekte en ongevallen, begrafenissen waren er specifieke taakverdelingen onder noabers (noaste noabers, noodnoabers, etc.). Dat ging over geloof heen. Wie de noaberplichten schond, kreeg te maken met afkeurende opmerkingen, geroddel en burenruzies, en in extreme gevallen een volksgericht of een uitspraak van de drost. De noaberplicht had enige saamhorigheidsdwang voor binnenstaanders en geslotenheid voor buitenstaanders.
Bovendien was er een belangrijke rol voor de bindende kracht van rituelen, symbolen en tradities. Deze voeden gezamenlijke waarden en sociale samenhang, om in termen te spreken van de socioloog Émile Durkheim (1995). Zowel in Oost-Nederland als in plattelandsregio’s elders in Europa ontwikkelden zich volksfeesten met muziek, eten en drinken die onlosmakelijk verbonden waren met de agrarische cyclus en het kerkelijk jaar. Zoals oogstfeesten en jaarmarkten – die vele regionale variaties kennen. Ook ontstonden rituelen rondom geboortes, doop, huwelijken en begrafenissen. Daarin kregen bepaalde voorwerpen of dieren een sacrale betekenis als dragers van de collectieve identiteit, door Durkheim omschreven als totems. Een Twents ritueel bij een geboorte is het kroamschudden: noabers brengen een grote krentenwegge die samen wordt gedeeld als symbool voor de opname van het kind in de gemeenschap. Of een bruidskoe, een geschenk gebracht door noabers. Dergelijke terugkerende vieringen met bijbehorende totems werden een belangrijk onderdeel van de noaberschapstradities.
De teloorgang van plaatsafhankelijkheid
De moderne samenleving lijkt nog maar weinig op de agrarische samenleving van toen. Tegenwoordig zijn we in het dagelijks leven een stuk minder afhankelijk van de nabije woonomgeving en directe buren. Het leven is zogezegd minder plaatsgebonden.
Ten eerste hebben bestuurlijke schaalvergroting en de uitbreiding van overheidstaken de afhankelijkheid van de nabije sociale omgeving in Nederland drastisch verminderd. Onder Frans bewind (ca. 1795-1813), werden de kleinschalige buurschappen, markegenootschappen en kerspelen hervormd tot gemeenten. Vervolgens werd door centralisering van overheidstaken en gemeentelijke herindelingen het lokaal bestuur verder opgeschaald, zie Figuur 1. Mede vanwege de explosieve bevolkingsgroei. De staat nam meer verantwoordelijkheden op zich zoals armenzorg en ziekenzorg, en later ook pensioenen en bijstand. De opkomst van de verzorgingsstaat, met nadruk op sociale zekerheid en collectieve verantwoordelijkheid voor het welzijn van burgers, markeert een breuk met traditionele vormen van burenhulp.
Ten tweede hebben de veranderingen in de landbouw de onderlinge banden in plattelandsgemeenschappen verzwakt. Van oudsher was noaberschap nauw vervlochten met landbouw, zonder de gemeenschap was er eigenlijk geen voedselvoorziening mogelijk was. Veel gronden waren eerst gemeenschappelijk bezit. De privatisering van gronden, de opkomst van veeteelt en de commercialisering van de agrarische sector vanaf de negentiende eeuw hebben de sociale dynamiek op het platteland behoorlijke veranderd. Veel landbouwgrond ging naar grootgrondbezitters. Kleine boeren moesten land pachten, en werden in de loop der tijd particuliere ondernemers gericht op (inter)nationale handel in plaats van lokale voedselvoorziening. Door schaalvergroting en technologische vernieuwingen zoals kunstmest, tractoren, maaidorsmachines en melkrobots, waren er steeds minder arbeidskrachten nodig op het land, zie Figuur 2. Zodoende heeft de landbouw zich meer en meer losgemaakt van lokale gemeenschap, en daarmee soms ook van de agrarische noaberschaptradities.
Ten derde hebben talloze sociaaleconomische veranderingen de plaatsafhankelijkheid in Nederland verminderd. De groeiende welvaart bracht een geldhuishouding ter vervanging van lokale ruilhandel. De professionalisering van activiteiten heeft bepaalde burenhulp vervangen door een beroep, denk bijvoorbeeld aan uitvaartverenigingen en verloskundigen. Dankzij verbeterde infrastructuur en vervoersmogelijkheden kunnen vanaf de jaren ‘60 mensen zich makkelijk verplaatsen, zie bijvoorbeeld de groei aan personenauto’s in Figuur 3. Hierdoor komen en werken mensen vaker buiten hun woonomgeving. Die toegenomen mobiliteit heeft er mede voor gezorgd dat grootschalige centra een aantrekkelijk alternatief werden voor plaatselijke voorzieningen zoals de buurtsupermarkt en het dorpscafé. Bovendien zijn vrouwen meer gaan werken (en kwamen dus vaker buitenshuis), en verhuizen mensen vaker van de ene naar de andere plek (zie ook Vermeij, 2008).
De nabije woonomgeving is verworden tot een beperkt deel van iemands leefwereld en is lang niet voor iedereen van grote betekenis. De bittere noodzaak is grotendeels verdwenen en de relatie met de buren is meer vrijblijvend geworden.
De opkomst van romantisch noaberschap
Noaberschap was lange tijd een vanzelfsprekendheid. Door de langzamere economische ontwikkeling in de plattelandsregio’s bleef burenhulp een belangrijke rol houden op het platteland in Oost-Nederland, tot ver in de negentiende eeuw. Sommige noaberschapsgebruiken leven nog altijd voort, vaak meer ceremonieel. Zoals bijvoorbeeld het ‘aanzeggen’, het aan huis bekendmaken van het overlijden door noabers. Het zijn hoofdzakelijk deze oude noaberschapstradities die in verband worden gebracht met het Nedersaksisch cultureel erfgoed.
Vanuit het overgebleven plattelandsleven klinken ook tegenreacties. Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw valt het woord noaberschap steeds vaker in het publieke debat in de regio, zie Figuur 4. In ons rapport spreken we over de opkomst van ‘romantisch noaberschap’. Dit behelst een nostalgisch verlangen naar een zeer hechte plattelandsgemeenschap, een geïdealiseerd dorpsleven waarbij inwoners omzien naar elkaar en zorgen voor hun naasten. Oftewel plattelanders die elkaar kennen, dezelfde normen en waarden delen, plat praten en voor elkaar klaar staan. Het eenzijdige ideaalbeeld van het pure en hechte gemeenschapsleven op het Oost-Nederlandse platteland, waarbij de noaberschapsrituelen als symbool voor de collectieve samenhang en regionale authenticiteit worden opgevoerd.
De Overijsselse plattelandsromantiek heeft sommigen zo in haar greep dat noaberschap wordt toegeschreven aan de volksaard (‘Noaberschap zit in ons bloed’, aldus het provinciale coalitieakkoord). Alsof gedrag in het DNA van de inwoners besloten zit, en nieuwkomers van nature een bedreiging vormen voor de lokale manier van leven. De eerder genoemde maatschappelijke ontwikkelingen die de afhankelijkheid van lokale gemeenschap zo enorm hebben gereduceerd worden te makkelijk over het hoofd gezien, terwijl nieuwkomers (randstedelingen en migranten) als zondebok worden aangewezen. Het streekchauvinisme vervalt dan in valse plattelandsromantiek.
Is gemeenschapszin nog altijd sterker op het platteland?
Leeft de gemeenschapskracht van noaberschap nog voort? Wie brengt er nog een pan soep naar de buren als ze ziek zijn? En waar worden er nog buurtbarbecue georganiseerd? Beleidsmakers houden zich al lang met deze vragen bezig: in de jaren 2000 vooral in de grote stad, tegenwoordig vooral op het platteland.
In ons onderzoeksrapport vergelijken we Overijssel met landelijke cijfers uit Woononderzoek Nederland. In deze grootschalige enquête werd gevraagd naar alledaagse burenhulp (zoals oogje in het zeil houden, boodschappen brengen, huisdieren verzorgen) en naar contact en samenwerking met buren.
De cijfers schetsen een ontnuchterend en genuanceerd beeld. In vergelijking met andere provincies scoort Overijssel bovengemiddeld. Op alledaagse burenhulp staat Overijssel in de middenmoot, en op burencontact staat het tweede (achter Drenthe). Op zoek naar verklaringen wordt in sociaalgeografisch onderzoek doorgaans onderscheid gemaakt tussen compositie en context. Onder compositie vallen individuele kenmerken van bewoners, zoals inkomen, leeftijd en migratieachtergrond. Onder context worden plaatsgebonden kenmerken geschaard, zoals de mate van stedelijkheid of het woonmilieu van een buurt. In onze statistische modellen (regressieanalyses) zijn zowel individuele als lokale kenmerken meegewogen.
Wat blijkt? Alledaagse burenhulp komt over het algemeen het sterkst van personen uit de hogere middenklasse, van middelbare leeftijd, met gezinnen, woonachtig in de groen-stedelijke wijken of dorpen. Nauw burencontact komt sterk voor onder 65-plussers, praktisch geschoolden, de hogere middenklasse en mensen die wonen op het platteland. Naast persoonlijke achtergrond is lokale woonomgeving dus ook bepalend voor de mate van burenhulp en burencontact. Dit beperkt zich niet tot het platteland. In heel Nederland zijn over het algemeen de burenrelaties in groene woonwijken en dorpen hechter dan in stedelijke centra, en biedt naast leeftijd, inkomen en opleidingsniveau een betere verklaring dan regionale cultuurverschillen.
Nieuwe initiatieven onder het mom van noaberschap
In tijden van vrijblijvende lokale gemeenschapszin, een terugtredende overheid en krimpproblematiek hangt veel af van vrijwilligerswerk. De noodzaak keert zelfs lichtjes terug. Maar zodra een overheid noaberschap wil gaan regisseren, wekt dat scepsis en weerstand. Noaberschap dient uit de gemeenschap te komen, niet uit de politiek.
Uit liefde voor noaberschap blazen dorpsbewoners oude tradities nieuw leven in en bouw men nieuwe vormen voor saamhorigheid op: van corsowagens en paasvuren, tot kermissen en boerenrockfestivals. Bij nieuwe lokale bewonersinitiatieven in Oost-Nederland wordt noaberschap vaak aangehaald (zie ook Commandeur & Abbas, 2012). Soms geduid als modern noaberschap of noaberschap 2.0. In wezen zijn veel van de nieuwe noaberschapinitiatieven niet anders dan buurt- en vrijwilligersinitiatieven elders in het land.
De kracht van noaberschap schuilt in het begrip zelf. Met de term noaberschap worden de initiatieven voorzien van regionale eigenheid. Tegelijkertijd is het een streekgebonden appèl op inwoners, een oproep om zich vrijwillig in te zetten voor de goede zaak in hun lokale omgeving. Onder het mom van noaberschap, verspreidt de Hervormde kerk in Den Ham via brochures een hulplijn voor hulpbehoevende bewoners, en verzorgt de Vrijwillige Hulpdienst Diepenveen dagelijkse taken zoals boodschappen halen voor minder mobiele bewoners. De Noaberboeren nabij Haaksbergen, die met omwonenden het land bewerken, is een idyllisch aanzicht dat sterk doet denken aan het oude noaberschap waarin gezamenlijk werd geboerd, zij het nu vrijwillig.
Lees het volledige rapport hier: https://overijsselacademie.nl/onderzoeksrapport-noaberschap/