artikel
6 min.

Pleidooi voor een diverser ruimtelijk werkveld

Inclusiviteit krijgt steeds meer aandacht in de ruimtelijke planvorming. Maar hoe inclusief is het ruimtelijk vakgebied? Weinig, zo liet het plenaire programma van hét congres voor Nederlandse en Vlaamse ruimtelijk professionals vermoeden, waar een sprekerspanel dat overwegend bestond uit witte mannen van middelbare leeftijd het podium innam. Hoog tijd om te bediscussiëren in hoeverre de ambities van ruimtelijk professionals omtrent inclusiviteit in planning worden ondermijnd door een gebrek aan diversiteit en inclusiviteit in de beroepswereld zelf.

Inclusiviteit heeft in de afgelopen jaren een centrale plek verworven in het vocabulaire van ruimtelijk professionals zoals stedenbouwkundigen, planologen, (landschaps)architecten en projectontwikkelaars. Hoewel de term geen eenduidige definitie kent, behelst hij in het algemeen twee samenhangende aspecten. Ten eerste, inclusief ontwerp dat rekening houdt met de reeks kenmerken waarop burgers verschillen (denk onder andere aan sociaaleconomische positie, leeftijd, gezondheid, gender en achtergrond) én de deels uiteenlopende ruimteclaims die daaruit voortvloeien. Ten tweede, inclusieve participatie: het betrekken van verschillende burgers in planningsprocessen. Het belang van participatie is natuurlijk al langer onderkend. In de huidige context van ongekende transitieopgaves is er echter steeds meer nadruk op het waarborgen van maatschappelijk draagvlak. Nieuwe manieren van burgerparticipatie winnen aan terrein, veelal in de vorm van inclusieve co-creatie. Hierbij wordt de ervaringskennis van burgers erkend en betrokken in het planproces.

Verbindende ambities?

De PlanDag is een jaarlijks georganiseerd tweedaags congres dat ooit ontstond op initiatief van de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedenbouwkundigen en Planologen (BNSP) en de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning. In mei 2025 (be)vestigde het congres de aandacht op het creëren van draagvlak onder de titel ‘Lage landen, hoge contrasten’. Volgens de congresaankondiging is er zowel in Nederland als in Vlaanderen consensus in het ruimtelijk vakgebied om “opgaven in de fysieke leefomgeving vanuit een breder maatschappelijk perspectief te benaderen” (Bouma et al., 2025, p. 4). De organisatoren nodigden uit tot een discussie over “de rol die ruimtelijke professionals kunnen spelen in het overbruggen van scheidslijnen tussen opgaven in de leefomgeving” (p. 5), waarbij ze ook een verbinding maken “naar de alledaagse leefwereld van mensen” (p. 4).

De tweede congresdag begon met een plenair ochtendprogramma met vier sprekers. Na het welkomstwoord van de wethouder Wonen, Wijken en Ruimtelijke Ordening van de Gemeente Groningen) volgden drie presentaties. Eerst pleitte de hoofdeconoom van Rabobank in zijn keynote voor een regionaal beleid gericht op ‘brede welvaart’. Met dit begrip wordt welvaart niet alleen bedoeld in de zin van economische groei, maar omvat het ook wat mensen van waarde vinden, zoals gezondheid, het genieten van onderwijs, sociale verbanden, persoonlijke ontplooiing, vrijetijdsbesteding, en de kwaliteit en veiligheid van het milieu en de leefomgeving. Hierna kregen twee coreferaten het woord, die het PlanDag-thema vanuit lokaal opgedane praktijkervaringen benaderden. De Sociaal Bouwmeester van de Gemeente Groningen besprak onder andere het initiatief ‘Kansrijk Groningen’ dat ervaringsdeskundige buddy’s met diverse achtergronden koppelt aan mensen met weinig inkomen die te maken hebben met problemen op verschillende gebieden in hun leven. De laatste spreker van een onderzoeksbureau onderstreepte wederom de noodzaak voor experts om zich dieper in te leven in de leefwerelden van buurtbewoners, en een oog te hebben voor kwetsbare groepen, zoals ouderen, kansarmen, migranten, jongeren, kinderen of alleenstaande ouders. De presentaties ondersteunden inhoudelijk de boodschap van het congres om rekening te houden met de leefwereld van mensen “met verschillende achtergronden, in verschillende omstandigheden, en op verschillende plekken” (Bouma et al., 2025, p. 4). Anderzijds duidde het weinig diverse panel wel op een gebrek aan besef dat inclusief ruimtelijk ontwerp en inclusieve participatie niet denkbaar zijn zonder een divers en inclusief ruimtelijk beroepsveld. Want hoe overtuigend en effectief zijn de inspanningen van nog zo gedreven experts die niet-representatief zijn voor de diverse bevolking die ze willen bedienen?

Diverser ruimtelijk werkveld – inclusievere leefomgeving

Er zijn wel enkele signalen dat het belang van bovenstaande vraag wordt erkend. Zo hecht het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) expliciet waarde aan gelijkwaardigheid, diversiteit en inclusie binnen de organisatie. Het bevorderen van diversiteit naar “leeftijd, afkomst, achtergrond, gender(identiteit), seksuele oriëntatie, neurotype en fysieke mogelijkheden” wordt door het PBL niet alleen als een “maatschappelijke plicht” gezien, maar ook als noodzakelijk “bij het werken aan de onvoorspelbare en complexe vraagstukken waar het PBL zich mee bezighoudt” en “om relevant te blijven en verankerd in de samenleving” (PBL, n.d.). De toenemende interesse in diversiteit blijkt ook uit recente rapportages over de samenstelling van de ruimtelijke ontwerpsector. De conclusie: er is weinig diversiteit (Boswijk en Vloo, 2025). Vergelijkbare verslagen over jonge planologen ontbreken, maar na het bezoek aan een vastgoedbeurs stelden Donkervoort en Schuller (2022) vast dat “de planologie een wereld is waarin vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn”.

Wat opvalt bij deze voorbeelden is dat er amper wordt verwezen naar afkomst en etniciteit. De eerste rapportage over de ontwerpsector vermeldt dat de onderzoekers geen gegevens hadden over afkomst of etniciteit, en dat “ook op dat gebied er werk [lijkt] aan de winkel” (van Kempen et al., 2021, p. 20). De derde toont echter geen bezorgdheid en bevat het woord afkomst een enkele keer (zie Boswijk en Vloo, 2025). Dit in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk, waar de Royal Town Planning Institute (RTPI) in zijn meest recente rapportage ‘De staat van het vakgebied’ constateert dat geracialiseerde etnische minderheden ondervertegenwoordigd zijn: hun aandeel onder planners is 5% tegenover 19% in de bevolking (RTPI, 2023). Ook in de Verenigde Staten wordt diversiteit met betrekking tot raciale-etnische diversiteit in de planningssector gemonitord (Shin, 2022).

Etniciteit en ras zijn notoir moeilijk te definiëren begrippen, de betekenis en het gebruik waarvan bovendien contextafhankelijk, veranderend én betwist is (van Schie, 2022). Vergeleken met Angelsaksische landen is raciale terminologie nog steeds weinig gangbaar in Nederland, en praktisch afwezig uit het ruimtelijk discours. Onvoldoende aandacht voor etnische diversiteit klinkt hier als aanvaardbare kritiek, maar de stelling dat “de stedelijke planning is beïnvloed door en is betrokken bij het racialiseren van sociale processen” (Thomas, 1997, p. 195) gaat voor velen te ver. Het is echter erkend dat racisme bestaat in Nederland (College voor de Rechten van de Mens, n.d.). Hij bestaat bij de gratie van racialisering: een proces waarin individuen op basis van fysieke kenmerken – denk aan huidskleur –, en/of hun (vermeende) cultuur, religie en nationaliteit, ook al dan niet impliciet, als minderwaardig weggezet en nadelig behandeld worden.

Raciale-etnische diversiteit

Racialisering speelt ook in het Nederlandse ruimtelijk werkveld. Neem de in 2007 ingevoerde Leefbaarheidsbarometer, waarin het aandeel ‘niet-westerse herkomstgroepen’ de leefbaarheidsscore van een wijk negatief beïnvloedde. Onder de Rotterdamwet werden potentiële huurders met een laag inkomen uit laag scorende wijken geweerd. Zo werd de barometer een beleidsinstrument dat mensen met een migratieachtergrond discrimineerde op de woningmarkt (van Schie, 2022). Na jarenlange kritiek is de Leefbaarheidsbarometer in 2022 aangepast. Nederlandse ruimtelijk professionals, althans sommige, beschikken dus wel over de nodige gevoeligheid voor de manier waarop hun werkwijze, houding en beleid racialisering in de hand werkt (zie Thomas, 1997). Planners kunnen oog hebben voor racialisering ook als ze er zelf geen last van hebben. Volgens de Amerikaanse planningstheoreticus June Manning Thomas is het echter aan te nemen dat sommige planners behorend tot een raciale-etnische minderheid effectiever zijn in het aanpakken van uitsluitingsproblematiek vanwege culturele en gemeenschapsbanden en/of een gedeeld ‘sentiment’ (2008, p. 235). Bovendien, zo stelt Thomas, is diversiteit onder professionals “een zichtbare, concrete en fundamentele maatstaf van hun toewijding aan gelijkwaardigheid” (p. 228). Kortom, hoe onwennig het ook is, we moeten raciale terminologie gebruiken, ook in het ruimtelijk werkveld, om processen van racialisering, én daardoor racisme, tegen te gaan.

Maar (hoe) kan raciale-etnische diversiteit worden gemonitord? De Nederlandse Algemene Verordening Gegevensbescherming biedt beperkte mogelijkheden voor de registratie van gegevens met betrekking tot ras of etniciteit. Dit om de mogelijk discriminerende effecten van de verwerking hiervan te voorkomen. Voorstanders van de registratie van raciale-etnische gegevens stellen echter dat de verwerking van zulke gegevens juist de sleutel is tot discriminatiebestrijding (Commissie Meijers, 2023). Een mogelijke uitweg is dataverzameling op basis van zelfcategorisering (van Schie, 2022). Hierbij zouden ruimtelijk professionals zelf de categorie(ën) mogen aangeven waarmee ze zich identificeren. Respondenten in een studie met betrekking tot diversiteit in de universitaire sector uitten zich vrijwel allemaal positief tegenover dataverzameling door middel van zelfcategorisering (Bonjour et al., 2022). Veel van hen benadrukten tevens dat dataverzameling over etniciteit en racialisering alléén niet genoeg is, en pleitten voor een intersectionele dataverzameling (p. 28). Hierdoor wordt de samenhang tussen aspecten van uitsluiting op basis van verdere kenmerken (bijvoorbeeld gender, seksualiteit en klasse) in kaart gebracht.

Actiepunten

Er zijn dus mogelijkheden om (het gebrek aan) diversiteit in het Nederlandse ruimtelijk werkveld genuanceerd en verantwoord in kaart te brengen. Maar al voordat het zover is, kan al gestreefd worden naar bewustwording – het personeelsbeleid van het PBL bewijst dit. Hiervoor moet worden erkend dat professionele kennisproductie en -uitwisseling in het ruimtelijk domein momenteel een wit en veelal mannelijk privilege is. In dit opzicht is er een schrijnend verschil tussen de profielfoto’s van ervaringsdeskundige buddy’s van Kansrijk Groningen (zie afbeelding) en het publiek van de PlanDag. Terwijl in de eerste groep meerdere vrouwen van kleur zitten, leken vrouwelijke professionals van kleur volledig afwezig bij de tweede. De veelvuldige obstakels die een vrouw van kleur moet overkomen om in Nederland als stedenbouwkundig ingenieur of planologe te werken, verdienen een aparte studie. Duidelijk zijn deze obstakels deels van structurele aard en ze liggen buiten de invloedsfeer van het ruimtelijk werkveld.

Desalniettemin kan en móet er al op de korte termijn actie worden ondernomen in en vanuit het werkveld. Dit stuk sluit af met vier actiepunten. Ten eerste, als congresorganisator: wees bewust van het belang van representatie (Essanjahi & van den Brink, 2021) en doe moeite om een meer divers sprekerspanel uit te nodigen. Vrouwelijke professionals, al dan niet van kleur, zijn er relatief minder, maar ze zijn er wél. Hun deelname faciliteert een inclusievere bijeenkomst waar representanten van minderheden zich mogelijk meer thuis voelen en hun stem laten horen. Ten tweede, als deelnemer aan het ruimtelijk discours: stop met het maken van een binaire tegenstelling tussen ervaringskennis – ‘de (gemarginaliseerde, etnisch-culturele) Ander’ versus professionele kennis – de witte expert. Deze racialiseert namelijk door te suggereren dat ‘de etnisch-culturele Ander’ alleen een bron van ervaringskennis kan zijn, maar geen expertkennis kan hebben. Ten derde, als werkgever betrokken bij het ruimtelijk domein: span je je meer in voor het opzetten én naleven van diversiteits- en inclusiebeleid (Thijssen, 2023). Dit betekent het bewust nastreven van een meer evenredige afspiegeling van de samenleving én het creëren van een werkomgeving waar verschillende mensen zich welkom, veilig en gerespecteerd voelen. De aanbevelingen van de studie ‘Institutioneel racisme bij de gemeente als werkgever’ (Kros et al., 2023) vormen hiervoor een eerste handreiking. Ten slotte, vertegenwoordigers van beroepsverenigingen, overheidsinstanties, kennisinstellingen en andere betrokkenen: sla je handen in elkaar om het bevorderen van diversiteit en inclusiviteit in het werkveld expliciet te agenderen en te bediscussiëren. Het liefst nog vóór de volgende PlanDag.

Website by HOAX Amsterdam