Het is alweer verkiezingstijd en partijen programmeren hun verlanglijstjes. Wonen staat deze keer op 1. Zo ook bij D66. Met de slogan ‘Nieuwe huizen op nieuwe plaatsen’ wil de partij inzetten op de bouw van ‘10 nieuwe steden’. Lezen we verder dan blijkt het toch weer vooral om wonen te gaan en is het punt dat grondgebruik moet verschuiven van landbouw naar woningbouw. Jammer, want juist het verschuiven van de retoriek van woningbouw naar stedebouw is zeer gewenst. Niet dat we nieuwe steden moeten gaan maken. We weten hoelang het duurt voordat een geplande stad ook een geleefde stad wordt, zie Lelystad en Almere. Nee, het goede van deze retoriek is dat we het niet alleen over wonen hebben, maar over alle functies die nodig zijn om een stad – en daarmee ook het leven – te maken. Want leven is meer dan wonen alleen. Sterker, afgezien van slapen, zijn we toch vooral aan het werken, leren, zorgen en verzorgen, winkelen, sporten, recreëren, enzovoorts. En dat gebeurt allemaal niet alleen thuis. Meer woningen betekent ook meer kantoren, bedrijfshallen, scholen, winkels, huisartsenposten, sportvelden en -hallen, enzovoorts. Met steden op 1 zetten we mengen op 1 en daarmee het leven, in plaats van alleen het wonen.
Ook bij de ministeries BZK en VRO weten ze dit: ‘De Grootschalige Woningbouw Gebieden zijn unieke plekken waar wonen, werken en stedelijke voorzieningen samenkomen, veelal op binnenstedelijke locaties in plaats van aan de randen, zoals met VINEX wijken veelal het geval was. […] We bouwen niet alleen huizen, we werken aan nieuwe gemeenschappen in complete en duurzame wijken van de toekomst.’ Ik lees dit in een uitnodiging voor een bijeenkomst van de Community of Practice, die parallel aan dit programma is opgezet om niet steeds het wiel opnieuw uit te hoeven vinden. Het Rijk en alle andere partners uit de 17 Grootschalige Woningbouw Gebieden willen van elkaar leren via deze Community of Practice. De bijeenkomst in september gaat over de vraag hoe we tot gemengde gebieden komen met voldoende werkplekken en een grote diversiteit aan bedrijvigheid. Ik lever een bijdrage vanuit het informele nationale netwerk van Koplopers Innovatiedistricten, waarin eindverantwoordelijken van dergelijke gebieden regelmatig ervaringen en ambities delen.
Het betrekken van innovatiedistricten bij de grootschalige woningbouwopgave is minder vreemd dan het lijkt. Ten eerste onderscheiden innovatiedistricten zich van een campus of kennisintensief bedrijventerrein, doordat ook wonen expliciet onderdeel is van de functiemix, zie ook mijn eerdere Rooilijn-column over Berlijn als innovatiedistrict. En ten tweede, omdat de grootschalige woningbouwopgave ook om innovatie vraagt, denk maar aan de integratie met onder meer maatregelen voor omgang met netcongestie en voor energietransitie, klimaatadaptatie, deelmobiliteit, natuurontwikkeling en biobased bouwen. En willen we het tempo er een beetje inhouden, dan kunnen we niet wachten tot alles is uitontwikkeld, maar zullen we ook moeten experimenteren in de praktijk. Zo bezien, vervaagt het onderscheidt tussen grootschalige woningbouwgebieden en innovatiedistricten.
Evenmin als dat de woningbouwopgave een kwestie is van alleen woningen bouwen, is het perspectief op innovatiedistricten eenduidig. In het handboek ‘Innovatiedistricten Amsterdam’, waarin collega-lector Willem van Winden en onderzoeker Victor Cabral aanbevelingen doen voor outreach, lezen we: ‘Een innovatiedistrict zonder duidelijke identiteit en een consistente boodschap zal moeite hebben om de verschillende stakeholders te bereiken en te betrekken. Het is belangrijk dat alle betrokkenen – van bedrijven en onderzoekers tot bewoners en beleidsmakers – weten waar het district voor staat, en wat de ambities zijn.’ Ook uit de Koplopers bijeenkomsten komt een grote diversiteit van innovatiedistricten naar voren. Dit is te beschouwen als rijkdom, maar maakt het ook lastig om verbinding te leggen, synergiemogelijkheden te benutten zo de toegevoegde waarde te bewijzen. Er is ook weinig eenduidigheid in de organisatorische structuur en financiële basis, wat innovatiedistricten vaak weinig herkenbaar maakt voor de buitenwereld (zie ook: Van Winden & Cabral, 2025). Zo worden innovatiedistricten inmiddels wel genoemd in de Ruimtelijk Economische Visie (Ministerie EZ, 2025) onder het kopje ‘innovatiemilieu’, maar getuigt de tekst van weinig begrip van het belang van menging: ‘In gebieden waar het innovatiemilieu dichtbij of in de stad ligt zien we grote druk op de beschikbare ruimte ontstaan. Die ruimte komt in beeld voor functies die weinig tot niets toevoegen aan het innovatieve ecosysteem, zoals woningbouw.’
Graag doe ik een poging om wat helderheid te bieden, zonder te vervallen in ‘monofunctionele’ valkuilen. Het karakter van een innovatiedistrict kan geduid worden aan de hand van twee vragen: Wat is de motivatie voor een innovatiedistrict? En wat zijn doel en middel? Zo ontstaan twee assen en gekruist, vier kwadranten die helpen een innovatiedistrict te karakteriseren.
De motivatie voor een innovatiedistrict kan enerzijds vanuit een economisch-geografisch perspectief gevonden worden in de bijdrage die het levert aan een regionaal innovatie-ecosysteem, door TNO (2020) gedefinieerd als ‘een set van onderling verbonden actoren, factoren, faciliteiten, infrastructuur, kennis, talent, capaciteiten, instituties, leiderschap en andere randvoorwaarden, binnen een bepaalde regionale/geografische context, waarin partijen actief en doelbewust samenwerken aan innovatie, vernieuwing, diversificatie en daarmee het creëren van waarde’. Zo wordt de ontwikkeling van het Rotterdam Makers District (Merwe-Vierhavens en RDM Campus) – met een focus op energietransitie, circulair (recycling en hergebruik) en duurzame mobiliteit – vaak geduid als de verbinding tussen het innovatiesysteem van de haven en de Zuid-Hollandse innovatieketen tussen ESTEC in Noordwijk en het maritieme cluster in de Drechtsteden.
Anderzijds kan de motivatie voor een innovatiedistrict vanuit een bedrijfskundig productontwikkelingsperspectief gevonden worden in de bijdrage die het levert aan opschaling van innovaties; als plek waar start-ups de sprong van succesvolle pilots – vaak nog geholpen door bijvoorbeeld subsidies en vrijstellingen – naar de efficiënte, betaalbare en duurzaam schaalbare productie van producten en diensten als scale-up kunnen maken (Nexero). Zo wordt binnen het Rotterdam Makers District RDM Campus gezien als de plek voor de start-ups en Merwe-Vierhavens (M4H) als de plek waar de sprong naar scale-up gemaakt kan worden.
De as van doel en middel loopt tussen enerzijds een innovatiedistrict als een gebiedsontwikkeling ten behoeve van innovatieve bedrijven en anderzijds als test- en opschalingslocatie van innovaties ten behoeve van gebiedsontwikkeling. In het Rotterdam Makers District vinden we beide uitersten. Bij RDM Campus is het doel huisvesting bieden aan innovatieve bedrijven en onderwijsinstellingen en was de herontwikkeling van de oude scheepswerf het middel. In M4H wordt, naast de huisvesting van bedrijven, ook geëxperimenteerd met waterretentie onder bestrating, zelfrijdende voertuigen, inrichting van getijdemilieus en wellicht binnenkort ook het coöperatief organiseren van een deel van de gebiedsontwikkeling.
Kruisen we beide assen dan ontstaan er vier kwadranten die een innovatiedistrict karakteriseren:
- In kwadrant 1, tussen de motivatie vanuit het regionale innovatie-ecosysteem en gebiedsontwikkeling ten behoeve van innovatieve bedrijven, vinden we het ‘klassieke karakter’ van een innovatiedistrict zoals veelal vanuit het economisch domein wordt gemotiveerd.
- In kwadrant 2 is de motivatie vanuit het regionale innovatie-ecosysteem gekoppeld aan de test- en opschalingslocatie van innovaties ten behoeve van gebiedsontwikkeling. Dit karakter is het lastigst te vatten. Ik denk aan het oefenen met meer fundamentele verandering van de gebiedsontwikkelingsaanpak, zoals een maatschappelijk investeringsmodel voor gebiedsontwikkeling (Samen Slim) of een coöperatieve organisatie ervan, die impact hebben op de rolinvulling van publieke, private en andere bij gebiedsontwikkeling betrokkenen actoren.
- In kwadrant 3, tussen de motivatie vanuit het bedrijfskundig productontwikkelingsperspectief van opschaling van innovaties en gebiedsontwikkeling ten behoeve van innovatieve bedrijven, vinden we het karakter van een innovatiedistrict als plek in het traject van kennisvalorisatie. Na een experimenteer- en pilotfase bijvoorbeeld op een universiteitscampus kan een start-up er werken aan opschalen van de productie en doorgroeien naar een scale-up.
- In kwadrant 4 gaat het eveneens om een opschalingsslag, maar dan van innovaties die nodig zijn voor de gebiedsontwikkeling, zoals integratie met klimaatadaptatie en duurzame lokale energie-infrastructuur. Ik zie hier parallellen met de in de maak zijnde City Deal Toekomstbestendige Gebiedsontwikkeling.
De voorbeelden uit het Rotterdam Makers District laten zien dat de vier karakteristieken elkaar niet uitsluiten. Je moet het eerder zien als een raamwerk waar vanuit het makkelijker wordt om te begrijpen waarom een actor geïnteresseerd is in het ontwikkelen van een innovatiedistrict en dat helpt bij het voeren van het gesprek. Zo kunnen de ministeries BZK en VRO enerzijds en EZ anderzijds samen tot het inzicht komen dat woningbouw geen bedreiging voor de economische waarde van een innovatiedistrict is. Mits goed ingepast, draagt wonen juist bij aan de aantrekkelijke omgeving die nodig is voor de ongeplande contacten tussen experts uit verschillende vakgebieden en moet resulteren in innovatie door ‘neue Kombinationen’ (Schumpeter, 1934). En ook creëren woningen een omgeving om innovaties ten behoeve van gebiedsontwikkeling daadwerkelijk in toe te passen en zodoende op te schalen.
Want mengen vraagt om innovatie, maar innovatie vraagt ook om mengen.