Toen ik in 2013 begon als lector bij de Hogeschool Rotterdam, keek ik vanaf de locatie RDM Campus over de Nieuwe Maas naar de overkant en dacht: ‘Daar is het beloofde land’. Het Merwe-Vierhavensgebied – snel afgekort tot M4H – herbergt alle transitieopgaven in zich: van energie, mobiliteit en waterveiligheid tot sociale tweedeling en circulaire economie. Het is daarmee de ideale proeftuin voor praktijkgericht onderzoek en onderwijs. Vanuit mijn leeropdracht naar de veranderingen die de organisatie van gebiedsontwikkeling behoeft om toekomstbestendig te zijn, maken een groot deel van de onderzoekers van mijn lectoraat en vele onderwijsactiviteiten al zo’n 12,5 jaar deel uit van het ontwikkeltraject van M4H. Samen met partijen in het gebied hebben we al veel lessen geleerd. De grootste uitdaging staat echter nu voor de deur.
In 2026 gaat de ontwikkeling van M4H een nieuwe fase in. Op en rondom de Merwepieren zien we de eerste bouwactiviteiten als uitwerking van het in 2024 vastgestelde bestemmingsplan M4H en als opmaat naar een wijk met zo’n 2.500 nieuwe woningen en ongeveer 30.000 m2 ruimte voor creatieve ondernemers en voorzieningen. De gemeente neemt hier het voortouw. In het Galileipark zoekt het Havenbedrijf binnen de contouren van het bestemmingsplan naar een concrete invulling van het gebiedsconcept ‘Rotterdam Makers District’, dat naast M4H ook RDM Rotterdam aan de andere kant van het water beslaat. Een nieuwe overeenkomst tussen gemeente, Havenbedrijf, Hogeschool Rotterdam en Techniek College vormt de basis voor een verdere doorontwikkeling van dit district als hotspot voor innovatie en talentontwikkeling voor de Rotterdamse havenregio. In het Keilekwartier is in 2025 een gebiedscoöperatie opgestart. Deze bestaat uit de ondernemers en de makers die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het gebied, verenigd in Stichting Keilekwartier, èn de gemeente. De gezamenlijke ambities voor de toekomstige ontwikkeling van het Keilekwartier zijn vastgelegd in een gebiedsambitiedocument. In het concept is te lezen dat gemeente en de stichting komende periode willen onderzoeken hoe ‘een brug te slaan tussen gemeentelijke ambities en lokale dynamiek en om tot een uitvoeringsmodel te komen dat eigentijdse vormen van stedelijke governance mogelijk maakt’.
Afgezien van de woningbouw, die volgens een redelijk traditionele kaveluitgifte zal verlopen, wordt de gebiedsontwikkeling van M4H gekenmerkt door het zoeken naar innovatieve vormen van samenwerking. Vanuit het lectoraat volgden en volgen twee promovendi deze zoektocht van dichtbij. Kees Stam rondt zijn promotieonderzoek naar de samenwerking tussen gemeente en Havenbedrijf af. Samen met Edith van Ewijk schreef hij daar een paar dagen geleden een Rooilijn-artikel over. In een artikel op Vers Beton analyseerden Kees en ik twintig jaar samenwerking en de gedeelde en tegenstrijdige belangen tussen beide partijen. De overtuiging heerst dat de ontwikkeling van M4H als innovatief stadshavensgebied cruciaal is voor toekomst van de stad én de haven. Desondanks moeten we concluderen dat gemeente en het Havenbedrijf de neiging hebben om in de uitvoering van projecten de zaken zoveel mogelijk gescheiden te houden. Dit belemmert leren van en met elkaar. Vorig jaar is onze oproep om het experimentele van de gebiedsontwikkeling van M4H toch vooral te omarmen, verhoord met de nieuwe overeenkomst voor een nadere invulling van het innovatiedistrict en de start van de gebiedscoöperatie.
Het aangaan van nieuwe samenwerkingsvormen is een goed begin. De uitdaging ligt in het daadwerkelijk samenwerken vanuit de bijbehorende andere en nieuwe rol. In een artikel op platform BINT, de verbindingsdienst voor grenswerkers, waarschuwt Martine de Jong dat samenwerkingen in de praktijk vaak starten zonder dat bewust nagedacht is ‘over hoe de partijen zich tot elkaar verhouden, wat ze van elkaar verwachten en welke vorm het beste past’. De vorm en rol van de betrokken partijen blijft dan onduidelijk en telkens wisselend, waardoor een organisatie geen betrouwbare samenwerkingspartij is en de samenwerking ongewild onder druk komt te staan. Op basis van een uitgebreide literatuurstudie en online-enquête komt De Jong tot drie grondvormen van samenwerken: 1) In een directieve of gestuurde samenwerkingsvorm neemt één partij de leiding vanuit een uitgesproken ambitie en de middelen voor de realisatie ervan; 2) In een gelijkwaardige of collectieve samenwerkingsvorm zijn partijen complementaire partners die elk iets te halen en te brengen hebben rond een gezamenlijk gevormde ambitie; 3) In een connectieve of spontane samenwerkingsvorm start een pionier ‘van onderop’ vanuit een persoonlijke drive een beweging waarbij anderen op hun eigen manier en voorwaarden deelgenoot van kunnen worden in hechtere en lossere relaties. Deze grondvormen van samenwerking komen overeen met de drie fundamentele organisatieparadigma’s, te weten integrationisme, pluralisme en isolationisme (Burrell & Morgan, 1979).
De studie van Essers (2007) van het incommensurabiliteitsdebat in de organisatiekunde leert ons dat deze paradigma’s elkaar uitsluiten en dat wanneer aanpakken vanuit verschillende paradigma’s met elkaar geconfronteerd worden, er een wereld van onbegrip en verwarring ontstaat. In het ontwikkeltraject van M4H zoeken regimeactoren gemeente en Havenbedrijf, gewend aan het vervullen van een sturende rol in directieve samenwerkingen, bewust andere vormen van samenwerking op. Nagenoeg twee decennia zijn ze gelijkwaardige partners in de samenwerkingsovereenkomst Stadshavens (2007), en nu ook in de nieuwe overeenkomst met Hogeschool Rotterdam en het Techniek College. En de gemeente is vorig jaar met de gebiedscoöperatie Keilekwartier in een connectieve of spontane samenwerking gestapt. Het onderzoek van Kees Stam laat zien dat het gelijkwaardig samenwerken gepaard gaat met een zoektocht naar een passende organisatie- en besluitvormingsstructuur. Lectoraat-collega en Rooilijn redacteur David ter Avest volgt in het kader van zijn promotieonderzoek naar sociaal-fysieke infrastructuur in gebiedsontwikkeling de spontane samenwerking in de gebiedscoöperatie. De spontaniteit van zo’n vernieuwde samenwerking vraagt van een gemeente een andere rolopvatting: minder sturend en meer faciliterend, zodat het collectief energie en voorbijkomende kansen kan benutten en zo blijft leren.
In 2011 formuleerde onderzoeksinstituut Drift in opdracht van projectbureau Stadshavens de belofte van M4H als volgt: ‘De Merwe-Vierhavens zal de komende decennia een transformatie ondergaan van een desolaat, verworden gebied tot een bloeiend gebied vol duurzame bedrijvigheid en hoogwaardige woonmilieus. Een transitie van woestijn naar goudmijn. Deze transitie is een lastige en complexe opgave en vraagt om een vernuftige en slimme vorm van sturing.’ Vijftien jaar later zijn we aardig op weg. Tegelijkertijd gaat het ook langzaam en dat heeft te maken met de rolveranderingen, waaraan met name gemeente en Havenbedrijf zich moeten willen overgeven. Het verinnerlijken van rollen die passen bij een gelijkwaardige of spontane samenwerking, die nodig zijn voor vernieuwende en innovatieve gebiedsontwikkeling, vraagt om verdergaande aanpassingen van deze regimepartijen dan veelal – ook door henzelf – wordt beseft. Drift zag dat al goed en besluit de publicatie met: ‘het zou fantastisch zijn als de gemeente Rotterdam […] een faciliterende en stimulerende rol op zich durft te nemen. Dat vergt lef, moed en durf, maar daar staat Rotterdam om bekend toch?!’
Ik sluit me hier van harte bij aan en wens de gemeente, het Havenbedrijf en alle andere regimepartijen die werken aan gebiedsontwikkeling in de stad Rotterdam – van Woonstad tot Heijmans – heel veel lef, moed en durf voor het nieuwe jaar. Want alleen met hun rolverandering kunnen in 2026 nieuwe gelijkwaardige en spontane samenwerkingen met ondernemers, maatschappelijke organisaties en burgers tot stand komen en doorontwikkelen. M4H wijst de weg!