Als kind van Almere voelde ik onmiddellijk een drang om positief te reageren op het verzoek van Rooilijn om bij te dragen aan de themareeks Nieuwe Steden. Als wetenschapper én als lid van politieke partij ‘we-bouwen-10-nieuwe-steden’ D66 voelde ik me ook een beetje verplicht. De vraag was om vanuit de vakdiscipline gebiedsontwikkeling te reflecteren op wat ‘oude nieuwe steden’ als Almere hebben opgeleverd. Wat bleek waardevol, en wat minder, bezien vanuit duurzame ruimtelijke ontwikkeling? Mijn antwoord: het bouwen van nieuwe steden vergt – op zichzelf waardevolle – collectieve wil. En de écht duurzame stad is en blijft een work in progress.
Het fenomeen stad verwondert ons al sinds de oudheid en degene die er een sluitende definitie van kan geven mag het zeggen. Feit is dat wat wij denken te begrijpen van steden ons steeds weer ontsnapt, juist omdat een stad zo oneindig veel meer is dan een stel gebouwen, pleinen en straten. Wat een stad is ontgaat ons simpelweg grotendeels. Toch durven we het aan om te zeggen dat we nieuwe steden willen bouwen. Enerzijds is dat hoogst pretentieus, want wat bedoelen we hier eigenlijk mee? Maar anderzijds geeft het aan dat er gewoon moed en ambitie nodig is om zoiets groots als een stad te realiseren. Architect en stedenbouwkundige Daniel Burnham zei niet voor niets: “Make no little plans. They have no magic to stir men’s blood and probably will not themselves be realized.” Een straatje erbij, daar wordt niemand warm of koud van.
Wat het bouwen van nieuwe steden in ieder geval heeft opgeleverd, is het inzicht dat Burnham al in zijn bekende uitspraak verpakte: de manier waarop we onze steden bouwen weergeeft de ambities die we in een bepaald tijdgewricht maatschappelijk realistisch achten. Wat we heden ten dage maatschappelijk realistisch vinden—en hoe duurzaam we het willen hebben—is ook nu dus aan ons allen. Het willen bouwen van een nieuwe stad door een individuele ontwerper of politicus is zo bezien even absurd als moedig. De slagingskans van dergelijke plannen hangt, zowel in de tijd van Cornelis Lely als in die van Rob Jetten, in belangrijke mate af van één factor: de collectieve wil om er iets van te maken.
Ik kan pagina’s vol schrijven over de inhoudelijke tekortkomingen van newtowns. Het makkelijkst is dan te wijzen op het zelf-volprezen NEOM (Saudi-Arabië) of Masdar City (Abu Dhabi) in het Midden-Oosten of Nusantara (Indonesië) en Songdo (Zuid-Korea) in Azië. Lekker ver weg. Zijn de lege gebouwen en zielloze straten en pleinen een bewijs van mislukking? Ik denk dat het beter is om terughoudend te zijn en even 50 jaar af te wachten. Misschien moeten we zelfs bewondering hebben voor de durf en het doorzettingsvermogen om op een geheel eigen manier met stedelijke ambities aan de slag te gaan…
Als ik lees over de (vermeende) tekortkomingen van newtowns in de wereld denk ik terug aan mijn jeugd in Almere. En dan met name de kritiek en hoon die de stad toen kreeg en soms nog steeds ten deel valt. Het steden doodverklaren blijkt gemakkelijk. Ze tot leven wekken een stuk moeilijker. Mijn oordeel is daarom, of het nu gaat om Almere, Lelystad, Purmerend of Zoetermeer, voorzichtig en mild. De mensen die er elke dag met passie aan werken behoeven aanmoediging. Hun werk verdient meer geduld en steun dan het vaak krijgt.
Wat duidelijk minder geschikt is gebleken bij het bouwen van nieuwe steden is het wetenschappelijk vaststellen wat een stad tot een mislukking of een succes maakt. Er zijn immers boekenkasten vol geschreven over (binnen)steden die totaal mislukt zijn, om een halve eeuw later te worden gelauwerd om hun duurzaamheid en economische veerkracht. We leven in een tijdsgewricht waarin we, ooit zo mooi ingezet door Jane Jacobs’ The Death and Life of Great American Cities, de sociale kwaliteiten van wijken, gebieden of steden langzaamaan minstens zo veel gewicht geven als banenbereikbaarheid en groen. Begrippen als brede welvaart zijn wellicht nog niet mainstream, maar worden door een toenemend aantal partijen die in steden investeren serieus genomen. Ze zijn gestoeld op ideeën die fundamenteel verschillen van eerdere aannames over wat mensen en samenlevingen duurzaam en veerkrachtig maken. Zo verbreden we de focus van wat we kunnen meten in steden (prijzen, banen, dichtheid, afstanden) naar wat we kunnen identificeren en ervaren (welzijn, gezondheid, vaardigheden, vertrouwen). En zo krijgen we steeds beter zicht op waar we als samenleving voor staan als we zeggen nieuwe wijken, gebieden of steden te willen bouwen.
Er zijn aldus twee belangrijke inzichten die we ons in Nederland ter harte kunnen nemen als we uitspraken doen als ‘we gaan 10 nieuwe steden bouwen’. Inzichten die bij huidige pogingen tot het ‘hernemen van regie’ door de Rijksoverheid en het inperken van bezwaarmogelijkheden (dit wetsvoorstel ligt nu voor) een plek in de considerans zouden verdienen:
Ten eerste vragen ambities voor nieuwe steden het opbouwen van de collectieve wil om aan de slag te gaan. Politici kunnen zich afvragen wat zij daadwerkelijk doen (of juist laten) om overheden, gemeenschap en bedrijfsleven samen deze ambitie te laten verwezenlijken. Met wetten, nota’s en geld alleen lukt het niet. De praktijk van gebiedsontwikkeling laat in ieder geval zien dat plannen pas realiteitszin krijgen waar mensen de benodigde collectieve wil actief weten te mobiliseren. Het gebrek aan deze wil, of het onvermogen om deze te organiseren, is in ieder geval een belangrijke reden dat sommige grootschalige gebiedsopgaven—vaak met hoge duurzaamheidsambities—nog steeds op de tekentafel liggen.
Het tweede inzicht is dat nieuwe steden bouwen onze kennis in feite te boven gaat. Ja, we weten steeds beter hoe de interactie tussen mensen en hun leefomgeving werkt en wat ervoor nodig is om steden in praktische zin goed te laten functioneren. Maar ondanks dat we de condition humaine ogenschijnlijk steeds beter op de condition urbaine weten af te stemmen, moeten we bescheiden blijven. Mensen, samenlevingen en steden veranderen en doen dat in verschillende snelheden. De afstemming die we proberen te ontwerpen, uitvoeren, beheren en weer herontwerpen is daarom een blijvende opgave—de perfecte match tussen mens, samenleving en stad een eeuwige utopie. Het goede nieuws daarvan is: we kunnen elk moment beginnen. Het slechte: de stad is nooit af.