In de huidige politieke arena is de woningnood een belangrijk onderwerp. De actie wordt gezocht in het bouwen van veel nieuwe woningen, binnen en buiten de bestaande steden en dorpen. De 10 nieuwe steden uit de verkiezingscampagne van D66 zijn een illustratie. Op dit moment is een nieuwe Nota Ruimte in de maak. In de ontwerp-Nota zijn 30 grote bouwlocaties op de kaart gezet. (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 2025) Maar wie die nota leest, ziet dat er een ongelooflijk gevecht om de ruimte gaande is: ruimte voor water, voor natuur, voor extensiverende landbouw, voor defensie. Een tekort aan woningen kun je alleen al daarom niet vertalen in nieuwe steden die ruimte vragen in een steeds voller land.
In de agenda Gedeelde Grond die het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs in 2025 presenteerde, beschouwen we verschillende ruimtelijke vraagstukken vanuit het spanningsveld van schaarste en overvloed. In het algemene taalgebruik wordt het woord overvloed niet vaak in positieve zin gebruikt, terwijl daar toch redenen voor zijn. Wij stellen voor om juist de woningbouwopgave in het perspectief van overvloed te bekijken. Er is een tekort aan woningen – maar er is ook een overvloed aan woonruimte. Rond de introductie van de Woningwet in 1901 woonden Nederlanders op ongeveer 8m2 persoon. Meer dan een halve eeuw later, in de jaren ‘60, was dat circa 15 m2 per persoon. In 2024 was dat verveelvoudigd tot zo’n 53 m2 per persoon (Elsinga, 2024; SCP, 1975). Bedenk ook dat juist senioren vaak groot wonen en dat er relatief veel eenpersoonshuishoudens zijn. Maar verhuizen naar een andere, kleine woning is op dit moment niet aantrekkelijk en financieel nadelig. Als daar beweging gerealiseerd kan worden, komt bestaande voorraad vrij voor gezinnen. Het gaat dus ook om een verdelingsvraagstuk. Splitsen en doorstromen zijn minstens zo belangrijk als bouwen. Natuurlijk is het tekort aan woningen daarmee niet opgelost, het herverdelen van woonruimte is een immens vraagstuk. Maar dat geldt ook voor de bouw van nieuwe woningen: de makkelijke locaties zijn op. Dus we moeten in parallelle strategieën denken.
Ik ben van achtergrond landschapsarchitect. Het ligt daarmee niet voor de hand om het te hebben over splitsen en doorstromen. Maar dat is wel de voorwaarde om naar de woningbouwopgave te kijken op de manier die ik belangrijk vind. Daarbij verbind ik buiten en binnen, kleine en grote schaal, korte en lage termijn. De woningbouwopgave wordt dan eigenlijk een leefomgevingsvraagstuk.
Van een woningbouwopgave naar een woonopgave
Of het nu om splitsen, doorstromen of nieuwbouw gaat, een belangrijk deel van de oplossing van het woningtekort zal in het verdichten van bestaande steden en dorpen liggen. In ons recente advies Thuis in de Toekomst dat in juni gepresenteerd werd aan de minister verbreden we daarom de woningbouwopgave naar een woonopgave (CRa, 2026). Wonen gaat over binnen- en buitenruimte, over woning en omgeving, over de leefomgeving. De grote vraag die ik zie is hoe veel meer mensen woonruimte in de bestaande stad kunnen vinden zonder dat de kwaliteit van de leefomgeving er op achteruit gaat. Sterker, die moet er op vooruitgaan, want zo goed is die nu niet. Het aantal vierkante meters openbaar groen per huisadres in de dertig grootste Nederlandse gemeenten is in de afgelopen jaren gedaald met 24% (Sweco & Natuur en Milieu, 2024). Door verdichting zullen steden voller worden, omdat er meer mensen, meer voertuigen, meer woningen in moeten passen. De buitenruimte die nu al vaak onder druk staat zal meer gebruik en meer gebruikers moeten accommoderen. Tegelijk nemen de eisen toe. Naast een groter aantal mensen zijn er ook andere, nieuwe opgaves die de buitenruimte moet vervullen, denk aan wateropvang, het tegengaan van hittestress en de belangrijke rol die buitenruimte speelt voor de biodiversiteit. Wonen is slechts ten dele een kwantitatief vraagstuk van vierkante meters, aantallen, functionaliteiten. Wonen is even zo zeer een kwalitatief vraagstuk. Goed wonen is verbonden met gezondheid, rechtvaardigheid, plezier. Goed wonen gaat dus ook over toegang tot voorzieningen en scholen en een aantrekkelijke, toegankelijke, diverse buitenruimte waar ruimte is voor ontmoeting.
Thuis in de toekomst
Het advies Thuis in de Toekomst spreekt alle betrokken partijen aan, van Rijksoverheid tot ontwikkelaars en ontwerpers, met zes aanbevelingen. De eerste aanbeveling gaat over rechtvaardigheid. Dit punt legt de nadruk op woonzekerheid, kansengelijkheid en solidariteit. De tweede aanbeveling gaat over schoonheid. Dit vraagt om het inzetten van ontwerpkracht, experimenteerruimte en vakmanschap. De derde aanbeveling betreft de bouwcultuur. Dit gaat over hernieuwbare bouwmaterialen en innovatie onder het motto dat we voor een ombouwopgave staan. Onder het kopje gezondheid noemt de vierde aanbeveling het belang van bewegen, ontmoeting en natuur. Aanbeveling vijf gaat over samenleven en roept op tot weerbare gemeenschappen. En tenslotte vraagt aanbeveling zes onder het kopje klimaatbestendig om te bouwen vanuit het water- en bodemsysteem. Voor dit artikel zijn vooral de adviezen vier en zes van belang.
Want wat als je, zoals aanbeveling vier zegt, gezondheid als sturend criterium neemt? Dat lukt alleen als de kwaliteit van de buitenruimte echt gegarandeerd is en bijvoorbeeld al in de grondexploitatie verankerd wordt. Zodat er ook echt ruimte kan komen voor sport, spel en natuur, en dat die ruimte duurzaam beheerd wordt. Maar bovenal vraagt dit adviespunt om het goed integreren van groenblauwe netwerken, om zorg voor oude bomen en het vroegtijdig planten van nieuwe bomen. Kijk je naar aanbeveling zes, dan wordt klimaatbestendigheid als randvoorwaarde gegeven voor de locatie van nieuwe buurten of inbreidingen. Water en bodem zijn daarbij figuurlijk en letterlijk de basis. Het gaat verder: water en bodem moeten ook hersteld worden. Want de kwaliteit is nu al niet goed en de eisen worden hoger. En dat moet ook doorvertaald worden naar bestaande wijken – het is in zekere zin makkelijker een nieuwe buurt klimaatadaptief te ontwerpen dan een bestaande buurt zo ver te krijgen. In bestaande wijken werken kleine stappen beter. Andere opgaven als energietransitie en parkeervraagstukken kunnen gecombineerd worden met klimaatmaatregelen.
Buiten spelen
Ik maak dat graag concreet. Wat biedt de stad van de toekomst aan kinderen? Hoe kunnen die buitenspelen op een manier die ze fit houdt, ervaringen bijbrengt, samenwerken leert – in een veilige omgeving? Buiten spelen is in zichzelf al een precair vraagstuk: we weten allemaal hoe aantrekkelijk social media en games zijn. Buiten spelen en zelfstandig lopen of fietsen naar school is minder vanzelfsprekend dan vroeger. Kinderen zijn ook minder vrij. Waar kinderen twee generaties terug tot wel 5 kilometer van huis buiten speelden zonder toezicht, is dat nu gereduceerd tot 200 meter (Gil, 2021). Uit onderzoek van Jantje Beton blijkt dat maar 2 op de 5 kinderen daadwerkelijk regelmatig buiten speelt (Jantje Beton & Branchevereniging Spelen en Bewegen, 2026). Vanuit gezondheidsmotieven, sociale ontwikkeling en contact met ‘buiten’ wil je die trend keren. Een belangrijke taak voor de stedelijke leefomgeving en iedereen die daaraan werkt.
Daarnaast moet natuur een plek in de stad hebben. Het gaat niet goed met veel dier- en plantensoorten. Hun kerngebieden zijn kleiner en meer versnipperd geraakt. Ze hebben verbindingen nodig zodat ze niet geïsoleerd raken. Die verbindingen gaan door stad en land. Juist de stad is soms een betere leefomgeving dan het intensief voor voedselproductie gebruikte platteland. Als gebouw en buitenruimte zo ontworpen zijn dat dieren en planten er kunnen verblijven, nestelen, voedsel en bescherming vinden, kan de stad functioneren als verblijfplaats en verbinding voor veel soorten. Hoewel verschillende plant- en diersoorten eigen eisen stellen, zijn er zeker gemene delers. Dit heeft vaak te maken met ruimte, continuïteit en diversiteit. Royale land-waterovergangen die doorlopen en op allerlei manieren in de stad aanwezig zijn voegen enorm veel toe voor een divers palet aan planten- en diersoorten. Deze motieven zijn op zich al sterk, maar er is ook een juridisch kader. De recente Natuurherstelverordening vraagt ook in de stad om actie. In combinatie met de nieuwe Europese richtlijn No Net Land Take zijn er serieuze implicaties voor nieuwbouw en verdichting (Van den Bossche, 2023). Groene ruimte opofferen voor verdichting kan tegen die achtergrond niet meer, en bouwactiviteiten moeten meer bijdragen aan natuurherstel.
Je kunt dat op buurtniveau bekijken, waar vlinders, kleine vogels en allerlei plantensoorten een plek vinden, maar ook op regioniveau: hoe zit het met de verbindingen naar de stad en door de stad, in relatie tot grotere natuurgebieden? Wat daarbij natuurlijk gunstig is: belangen vallen vaak samen. Het is evident dat grote hoosbuien tot toenemende overlast leiden, of zelfs tot acuut gevaar – zie het voorbeeld van de woonwijk Pathmos in Enschede die definitief ontruimd moest worden (Louwes & Veurink, 2026). Steden moeten omvangrijke ruimte reserveren om tijdelijk water te kunnen bergen. Het goede nieuws is dat dat voor een belangrijk deel gelijk opgaat met de vragen die natuur aan een toekomstbestendige leefomgeving stelt. En er is meer goed nieuws: ook mensen hebben veel baat bij aantrekkelijke, snelle verbindingen van de stad ‘naar buiten’ en terug. Dat vraagt uiteraard om goed ontwerp – een elektrische fiets en een egel hebben hun eigen opvattingen over een prettige route en mijden elkaar graag. Maar er zijn talloze voorbeelden waar dat gelukt is.
Nog zo’n concreet perspectief: bomen. Iedereen zal wel met mij delen dat het goed is dat onze klein-kleinkinderen oude bomen aantreffen in hun directe leefomgeving. Een boom die schaduw geeft, vogels en insecten herbergt, en een aanknopingspunt is voor verhalen. De (potentieel) lange levensduur van bomen maakt het nodig goed na te denken over de toekomstige leefomgevingen die we scheppen. Het is belangrijk dat ze robuust zijn, in het licht van de klimaatopgave; en dat ze langdurig van waarde zijn. Ik zette het woordje ‘potentieel’ voor lange levensduur. Een treurig feit is dat de gemiddelde stadsboom niet ouder wordt dan ruwweg 50 jaar. Maar pas na een jaar of 50 ontvouwt een boom zijn echte waarde voor biodiversiteit, stadsklimaat en identiteit. Een echt volwassen boom is ouder dan 100 jaar, maar kan, afhankelijk van de boomsoort, prima de 200 of 300 jaar halen en dan ongelooflijk veel kwaliteit toevoegen. Neem een oude boom in je omgeving, en bedenk dat die in het begin van de twintigste eeuw werd geplant, of zelfs in de negentiende eeuw. Die boom heeft dus veel meegemaakt. Terugkijkend waardeer je het opeens als een moedige beslissing om die boom te planten en in leven te houden, dwars door alle dynamiek in de stad heen.
Er is veel geduld nodig voor een oude boom, Maar dat betekent ook, dat de voorraad bomen die nu zeg 40 jaar oud is en dus statistisch gezien een grote kans heeft geveld te worden, al half op weg is naar een volwassen boom. Je zou dus die boomgeneratie als een strategische voorraad moeten zien, waarin je kansrijke bomen (met goed vooruitzicht op gezond oud worden) moet aanwijzen en beschermen. De stad Antwerpen laat dat heel mooi zien: daar is sinds enige jaren het beleid gericht op ’toekomstbomen’ (Stad Antwerpen, z.j.) Aangewezen bomen worden niet alleen beschermd, maar hun groeiomstandigheden worden ook verbeterd. Dat gaat over een essentieel gegeven: wij zien de bovengrondse boom, maar de andere helft die onder de grond zit is letterlijk de basis. Er is onder de grond ruimte nodig met goede omstandigheden. En dat vraagt behoorlijk wat in de verdichtende stad die ondergronds een woud van kabels, leidingen en buizen is.
Verder kijken
Hoe verhoudt zich die ruimte voor buiten spelen, groen, water, natuur en oude bomen nu met verdichting van de stad?
Er zijn tal van redenen die snelle actie voor meer woonruimte en meer woningen noodzaken, want er zijn tal van mensen heel hard getroffen door het gebrek aan een goede woning. Maar we moeten er voor waken snelheid ten koste te laten gaan van kwaliteit. Dit houdt ons als CRa bezig: hoe kun je tijdelijke woningen bouwen en daarbij tegelijk toch ook kwaliteit realiseren? Hoe kun je woningen toevoegen en tegelijk de groene ruimte verrijken? Wij constateren vooral dat in de hectiek van alle moeilijke beslissingen die vandaag en morgen genomen moeten worden, de doorkijk naar de lange termijn moeilijk is. Toch is die doorkijk nodig. Een goede woning gaat lang mee. Nederland zal over 50 of 100 jaar een ander land zijn. Er zijn grote onzekerheden, bijvoorbeeld in de internationale verhoudingen. Maar we weten relatief zeker dat de demografie van Nederland nog veel verder zal veranderen; een kwart van de bevolking zal volgens het CBS in 2070 65 jaar en ouder zijn (CBS, 2025). Net zo duidelijk is dat het Nederland van de toekomst veel meer te maken zal hebben met hitte, wateroverlast, droogte en, deels daaraan gerelateerd, bodemdaling. De woningen die we nu bouwen zullen dat meemaken.
We staan dus voor de enorme uitdaging het vraagstuk van woningbouw dat op zich al groot en zwaar voelt, te verbreden naar een leefomgevingsvraagstuk, denkend vanuit de verre toekomst. Dat vraagt om een aanpak waarin water, bodem en klimaatrisico’s vanaf het begin richting geven aan waar en hoe we bouwen. Daarbij hoeven we niet alleen te denken in beperkingen. Want wat het goede nieuws is: allerlei belangen vallen samen. De groene en stenige ruimte waar water opgevangen kan worden is tevens de ruimte waar een boom groot kan worden, waar kinderen kunnen spelen, waar sporters kunnen bewegen, waar beesten en planten kunnen nestelen en migreren. We moeten dus denken in hefbomen, koppelingen, samenwerkingsvoordelen, gedeelde belangen. De woonopgave kan en moet gekoppeld worden aan systeemherstel door actief te werken aan waterberging, bodembiodiversiteit en zoetwaterbeschikbaarheid. Als het systeem werkt, kan de woonopgave bijdragen aan bodem- water- en natuurherstel. En dat is de basis voor een stad waar gespeeld, gesport en genesteld kan worden, een stad die gezond, gastvrij, toegankelijk en adaptief is.