recensies

Amsterdam in twee eeuwen reisgidsen

Sophie van Ginneken (2024)

Amsterdam door vreemde ogen: toeristenstad in wording

Prometheus, Amsterdam
368 p.
ISBN 978-90-446-5729-6
€ 32,50

De nationale kunstcollectie, waaronder de Nachtwacht, was tot aan de opening van het Rijksmuseum (1885) ondergebracht in het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. De belichting was zo slecht dat in reisgidsen wordt geadviseerd de bewakers een fooi te geven zodat ze schilderijen zo kunnen draaien zodat ze beter kunnen worden gezien. In 1941 prijst VVV-directeur Tom Koot de stedebouwkundige Berlage als de eerste opvolger van de 17e -eeuwse bouwmeesters. In Berlages Amsterdam-Zuid is het grote aantal Joodse Amsterdammers dan al slachtoffer van uitsluiting en vervolging. Dit alles weerhoudt de ANWB niet om nog in 1944 te stellen: “Dit is het nieuwe Amsterdam, dat wij den vreemdeling met evenveel trots toonen als onze oude stad in de zeventiende eeuw!” (p.153). Niet eens zoveel later, als Amsterdam in 1975 700 jaar bestaat, adverteert de gemeente met een affiche “‘High time in Amsterdam’ […] met daarop een half blote, blowende vrouw.” (p241). Het is verleidelijk te denken dat het affiche buitengewoon effectief is geweest, omdat “in 2019 […] maar liefs 57 procent van de ondervraagde bezoekers aan[gaf] dat coffeeshops […] een belangrijke rol speelden bij de keuze om naar Amsterdam te komen.”(p.259)

Dit is maar een greep uit de rijke Amsterdamse stadsgeschiedenis over de afgelopen 200 jaar, beschreven door Van Ginneken, kunsthistorica en docent aan de Universiteit van Amsterdam, in haar boek over de ‘de wording van Amsterdam als toeristenstad’. Het boek is een publieksversie van haar proefschrift dat ze in 2023 verdedigde. De aanleiding om het boek te schrijven is dat er “door de eenzijdige aandacht van historici voor citymarketing […] vandaag de dag nog maar een beperkt beeld [is] van de vele mechanismen die met elkaar het ‘succes’ van Amsterdam als toeristenstad hebben gecreëerd.”(p.16) Voor de beantwoording van de vraag maakt de auteur gebruik van reisgidsen – ongeveer gelijk verdeeld over Nederlandse, Franse, Britse en Duitse uitgaven – van 1622 tot nu. Hierbij valt op dat al in de 19e eeuw een aantal gerenommeerde auteurs de toon zetten en anderen volgen. “De onderlinge afstemming van toeristische narratieven in reisgidsen van uiteenlopende herkomst is een treffende illustratie van de standaardisering en commodificatie van de toeristische ervaring, zoals die zich In de 19e eeuw voltrok” (p.51) en in de volgende eeuwen verder plaatsvond.

Het boek onderscheidt vier perioden: 1840-1885, 1885-1970, 1970-2000 en 2000-nu. Elke periode begint in een tijd van technologische en maatschappelijke verandering die zorgen dat de stad voor meer mensen- letterlijk en figuurlijk – bereikbaar wordt en het beeld van de stad in de reisgidsen fundamenteel verandert.

Met de komst van de stoomtrein en de fotografie wordt rond 1840 het reizen – nationaal maar zeker ook internationaal – voor grotere groepen mogelijk en voorstelbaar. Tot de 19e eeuw spreekt het artificiële en calvinistische Holland niet tot de verbeelding van de romantische reiziger die op zoek is naar ongerepte landschappen en imposante gebouwen. Vanaf 1840 wordt Amsterdam in reisgidsen geportretteerd als uitzonderlijke waterstad – het Venetië van het Noorden. De visuele attractiviteit van de stad met zijn haven, grachten en bruggen. De rijke geschiedenis van handel en scheepvaart. En de stad als vernuftig waterstaatkundig systeem dat het leven – als op de rand van een vulkaan – op een onwaarschijnlijke plaats mogelijk maakt, vormen een aanprekend geheel.

Met de opening van het Rijksmuseum in 1885 verandert het beeld. “In relatief korte tijd nemen de schrijvers afscheid van het beeld van Amsterdam als een ingenieus gebouwd maar ook wat dorps aandoend waterstadje en verleggen de focus naar het aanzien van een moderne, culturele metropool” (p.112) waarvan het Rijksmuseum dat ‘om Rembrandts Nachtwacht is heen gebouwd’ symbolisch is. Voor protestant Nederland was het gebouw van de katholiek Cuypers eigenlijk te bombastisch, maar het bleek wel een katalysator voor Amsterdam als toeristische bestemming, dat sterk leunde op 17e-eeuwse schilderkunst – en Rembrandt in het bijzonder waarrond een ware cultus van persoonsverheerlijking ontstaat – en op nieuwe gebouwen en wijken. Het postkantoor aan de Nieuwezijdsvoorburgwal, De Bijenkorf en het Paleis voor Volksvlijt – in het bijzonder de galerij met chique winkels – werden uitgelicht in de reisgidsen. Vanaf de jaren twintig breidt de aandacht zich uit naar nieuwe woonwijken als Berlages Amsterdam-Zuid, met het Olympisch Stadion, de Citroengarage en De Klerks complex de Dageraad als hoogtepunten.

Van Ginneken stelt dat onder invloed van de intrede van de fotografie – rond 1860 met een versnelling rond 1880 – in het dagelijks leven “de nieuwe toeristische blik op Amsterdam, vele malen materialistischer en visueler [is, en] sterker verweven [is] met stedelijke vrijetijdscultuur en veel meer gericht op de meer ‘letterlijke’ consumptie van steden als ‘beelden en ervaringen” (p124). Het is daarom “niet alleen de architectuur zelf, maar vooral de voortdurende fotografische herhaling die [..] objecten in het centrum van de belangstelling plaatste” (p127). Stadspromotie is vanaf 1885 een nieuw fenomeen, dat vorm krijgt door de organisatie van evenementen – zoals de organisatie van de wereldtentoonstelling in 1883 en de Olympische Spelen in 1928 – en de oprichting van een Vereeninging ter bevordering van het vreemdelingenverkeer (VVV) (1883).

Voor een groot deel van de twintigste eeuw blijft Amsterdam als toeristische bestemming toch vooral de stad van Rembrandt, maar in de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw dient zich een nieuwe verschuiving aan. De toenemende welvaart en verschuivende waarden in de westerse wereld zijn hierbij drijvende krachten. Rembrandt, de 17e eeuw en de stedebouw en architectuur blijven belangrijke pijlers voor toeristisch Amsterdam, maar tegelijkertijd ontstaat er een breder fundament. Naast nieuwe trekkers als het Stedelijk Museum en het Van Gogh Museum, valt te denken aan het Anne Frankhuis, Madame Tussaud, de Melkweg en Paradiso.  Kenmerkend voor de verschuiving die volgens Van Ginneken plaatsvindt is dat “de toeristische ‘blik’ vanaf 1970 niet meer alleen geïnteresseerd is in visuele waarneming, maar veel meer gericht op zintuigelijke ervaring en actieve deelname” (p.233). De reisgidsen en de gemeentelijke marketing promoten het imago van rebelse en vrijzinnige stad op volle kracht. Toch moet niet onderschat worden hoe ook het imago van Amsterdam als icoon van de Gouden Eeuw, in deze periode nog steeds verder wordt uitgebouwd. Het idee van de grachtengordel – het komt pas vanaf de jaren tachtig in de reisgidsen voor – als 17e eeuws gesamtkunstwerk, is volgens het boek, meer een twintigste eeuwse gedachtenconstructie, dan een historische realiteit, omdat het in de 17e eeuw niet als geheel is ontworpen maar het resultaat van een serie incrementele beslissingen.

In de eenentwintigste eeuw verdwijnt de reisgids als papieren informatiebron naar de coulissen en neemt de toeristificatie van Amsterdam tussen 2010 en 2020 een grote vlucht (24 miljoen in 2024). Ondanks deze ontwikkelingen verandert er aan het toeristische beeld van de stad niet veel. Van Ginniken concludeert zelfs “de drie stadsbeelden die in alle reisgidsen tussen 1840 en 2000 de boventoon voerden, zijn nog uitstekend herkenbaar in het beeld van vandaag: achtereenvolgens Amsterdam als waterstad, als culturele stad en als vrije stad.” (p256)

Van Ginniken weet door haar invalshoek en stijl een originele en heel leesbare bijdrage te leveren aan een onderwerp – de geschiedenis van Amsterdam in de afgelopen 200 jaar – dat toch niet bepaald onbeschreven is. Dat is knap. Echter, ik kan niet ontkennen na lezing ook met een wat onbevredigend gevoel te zitten. Het antwoord op de vraag wat nu ‘bepalende factoren en mechanismen’ zijn geweest komt niet veel verder dan dat het beeld van de stad hoofdzakelijk wordt gestuurd door krachten die buiten het bereik van de stad liggen. Reflecties op oorzaken en gevolgen, en de relaties met het wetenschappelijk debat, worden her en der in de tekst besproken, maar nergens echt geïntegreerd tot een samenhangende analyse. Het destilleren van bepalende factoren en mechanismen uit het vertoog wordt daarmee grotendeels aan de lezer gelaten. Hierbij dringt zich ook de vraag op of een aanpak die voornamelijk op bestudering reisgidsen – hoe origineel en legitiem dan ook – is gebaseerd, de juiste methode is voor beantwoording van de vraag naar ‘mechanismen’. Verder ontbreekt het in het boek wel erg aan data over bijvoorbeeld aantallen toeristen in verschillende periode of worden de cijfers die worden genoemd niet in context geplaatst. Dit zijn kanttekeningen van een sociaal-wetenschapper, waar niet iedere lezer zich druk over hoeft te maken. Die kan gewoon genieten van de rijke en originele beschouwing over Amsterdam die wordt opgediend.

Website by HOAX Amsterdam