recensies
6 min.

De middeleeuwse erfenis zichtbaar in Nederlandse steden

De Magere Brug over de Amstel. (Foto: Frans Ruiter, Unsplash)

Marcel IJsselstijn (2026)

Atlas van de Middeleeuwse stad – Markten en haven in de Lage Landen

Uitgeverij THOTH, Bussum

400 p.

ISBN 978-90-68689-00-6

€69,90

Atlas van de middeleeuwse stad. Markten en havens in de Lage Landen van Marcel IJsselstijn is in vele opzichten een imposant boek. Groot formaat, 400 pagina’s, en veel prachtige kaarten. Zoals oude stadskaarten die Jacob van Deventer in de 16e eeuw maakte, en nieuwe kaarten met archeologische en historische informatie over de onderzochte steden. Het boek is de Nederlandse handelseditie van het Engelstalige proefschrift waarop de auteur eerder dit jaar promoveerde aan de Universiteit van Leiden. Hij werkt bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De ruggengraat van het boek zijn de drie casestudies van de steden die rond 1560 de grootste waren van de Noordelijke Nederlanden. In volgorde van ouderdom: Utrecht (ontstaan bij een Romeins Castellum), ’s Hertogenbosch (12e eeuw) en Amsterdam (13e eeuw). Deze drie casestudies worden voorafgegaan door inleidende hoofdstukken over de middeleeuwse stad in Nederland en elders in Noordwest Europa, theorieën over stadsontwikkeling uit verschillende disciplines en gehanteerde methoden van onderzoek. Inclusief een bibliografie van Nederlands onderzoek naar de middeleeuwse stad, een uitkomst voor iedereen die meer wil weten over dit onderwerp. Na de drie forse hoofdstukken over Utrecht, ’s Hertogenbosch en Amsterdam volgen hoofdstukken met conclusies uit de vergelijking van de drie steden, informatie over andere steden in de Lage landen en tenslotte een bescheiden uitstapje naar de actualiteit. Wat viel op?

Allereerst de multidisciplinaire opzet van de studie, met de archeologie als het fundament. IJsselstijn put uit vele theoretische bronnen. Al in de inleidende hoofdstukken komt een reeks van auteurs over stedelijke geschiedenis uit de archeologische, ruimtelijke, sociale en economische hoek langs: van Fernand Braudel tot Jane Jacobs, van Max Weber tot Peter Hall, van Camillo Sitte tot Kevin Lynch. Zij zijn sleutelfiguren in de verschillende benaderingen van de stedelijke geschiedenis en het debat over de actuele betekenis ervan. De economische geschiedschrijving krijgt de nodige ruimte, daar zijn de drijvende krachten te vinden van de stadsontwikkeling: de markten en havens uit de ondertitel van het boek.

Maar de echte empirische basis levert de archeologie, het onderzoek naar en in de bodem. Die vult grote lacunes in de kennis van de middeleeuwse stad. Zo neemt IJsselstijn op grond van archeologische gegevens positie in een oud historisch debat over Amsterdam: is de loop van de Amstel natuurlijk of deels gegraven? Naar zijn mening is de Amstel wellicht rechtgetrokken, maar is de natuurlijke loop behouden. De archeologie is dan ook alomtegenwoordig op de kaarten in het boek. Het is niet mijn vak, maar ik kan me voorstellen dat daar een fundamentele bijdrage van IJsselstijn aan de wetenschap ligt: de archeologie van middeleeuwse steden systematisch in kaart gebracht.

Ten tweede het theoretisch model waarmee de auteur de middeleeuwse stadsontwikkeling onderzoekt. Dat model oogt eenvoudig, maar is het allerminst. Het bestaat uit vier basiselementen: actoren, functies, uitgangssituaties en omstandigheden. Die bepalen uiteindelijk de ruimtelijke ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Steden zijn gebouwd en ontwikkeld door mensen die er bepaalde functies wilden huisvesten. Die bouw en ontwikkeling vond plaats binnen een bestaande ruimtelijke constellatie (‘uitgangssituatie’) en was afhankelijk van de aanwezige hulpbronnen, cultuur, technieken, landschappelijke voorwaarden en bodemgesteldheid (‘omstandigheden’). Daarmee brengt IJsselstijn nadrukkelijk de actoren in beeld, waar de klassieke stadsmorfologie zich vaak beperkte tot de ontwikkelingen in het kaartbeeld. De middeleeuwse stadsontwikkeling was een ‘generatief proces’ van bewuste doelstellingen en onbedoelde uitkomsten. Zo wordt tegelijkertijd de tegenstelling tussen ‘geplande steden’ en ‘organische ontwikkeling’ ontkracht, een klassiek dualisme uit de stadsgeschiedenis. ‘Gepland’ en ‘organisch’ lopen door elkaar, en hangen vaak af van het schaalniveau waarop de ontwikkelingen worden bekeken. De optelsom van geplande aanpassingen aan de stad ziet er vaak uit als een organisch patroon. Iets soortgelijks geldt voor de vermeende tegenstelling tussen ‘top-down’ en ‘bottom-up’ ontwikkelingen: soms domineerde de wil van landheren en stadsbesturen, soms het belang en de actie van burgers.

Ten derde tonen de uitkomsten van het onderzoek een vergelijkbare ontwikkeling van de drie onderzochte steden Utrecht, ’s Hertogenbosch en Amsterdam, die als gezegd de kern van het boek vormen. Ik heb met bijzondere belangstelling gekeken naar Amsterdam, de stad waar ik heb gestudeerd en in totaal 28 jaar heb gewoond. Fascinerend om in achtereenvolgende kaartbeelden (250-253) de stad te zien groeien rond de Amstel en de Dam. Vervolgens kwamen de hoofdassen parallel aan de Amstel, doorsneden door stegen. Het ruimtelijk resultaat is mooi te zien op het bekende ‘Amsterdam in vogelvlucht’ van Cornelis Anthonisz uit 1538, in bezit van het Amsterdam Museum.

De ontwikkeling van Amsterdam heeft veel gemeen met die van Utrecht en ‘s Hertogenbosch. Ten eerste de ontginning, ophoging en egalisering van bouwgrond. Ten tweede de indeling van percelen, waarvan de oudste dikwijls gelegen waren tussen straat en water. Grote percelen werden vaak opgedeeld in kleinere. Ten derde de benutting van het bestaande landschap, veel gemakkelijker te realiseren dan grootscheepse aanpassing. Oorspronkelijke landschapskenmerken zijn daarom nog steeds te zien op de huidige stadsplattegronden. Ten vierde waren er in elk van de steden ook grote collectieve projecten om de stad te verbeteren, zoals de aanleg van vestingwerken, publieke bouwwerken of kerken. Een teken van groeiende stedelijke autonomie. En tenslotte was er in elk van de drie steden sprake van verdichting: het opvullen van de open ruimte in de stad.

Het vierde opvallende gegeven uit het boek is dat ook in de middeleeuwen de economie al een dominante drijfveer was voor de stadsontwikkeling, vandaar ook de ondertitel van het boek ‘Markten en havens in de Lage Landen’. Dat geldt in gelijke mate voor de drie steden uit de casestudies. Maar de balans tussen de economische functies van markt en haven was in de drie steden anders. Voor Amsterdam was de havenfunctie dominant, in ’s Hertogenbosch de marktfunctie, in Utrecht was een vermenging van beide zichtbaar. Dat leidde ook tot andere accenten in de stadsontwikkeling. Om Amsterdam opnieuw als voorbeeld te nemen: de ontwikkeling van het havenfront langs het Damrak en Lastage kregen prioriteit. Bedijking was belangrijker dan stadsmuren. Die kwamen er in Amsterdam pas in de 15e eeuw, in de meer ‘landgerichte’ steden Utrecht en ’s Hertogenbosch veel eerder.

Tot slot de actuele betekenis van de studie. Gedegen historische studies hebben in principe al een waarde op zichzelf, maar toch stelt IJsselstijn de slotvraag naar de actuele betekenis van zijn onderzoek. Een belangrijke waarde is begrip voor de zichtbare middeleeuwse erfenis in de steden. En dan niet zozeer in de afzonderlijke historische gebouwen, maar vooral de stratenpatronen, waterlopen, landschapskenmerken en perceelindelingen. Met behulp van de kaarten van Jacob van Deventer uit de 16e eeuw kan je nog steeds redelijk goed je weg vinden in de historische binnensteden. Dat benadrukt tegelijkertijd het belang van het ‘Beschermd stadsgezicht’ voor de erfgoedzorg. Daarnaast levert de kennis over de middeleeuwse stad input voor de huidige debatten over stedelijke ontwikkelingen. We zagen al enkele discussiepunten langskomen: de geplande en de organische stadsgroei, de top-down en bottom-up benaderingen bleken vaker samen te gaan dan elkaar uit te sluiten. Maar natuurlijk zijn er ook contrasten: waar in het verleden de scheiding tussen stad en land domineerde, heeft de groei van de transportfunctie dat grotendeels uitgewist.

Atlas van de middeleeuwse stad levert vele nieuwe inzichten over de stadsgeschiedenis van de Lage Landen. Het is ook als proefschrift indrukwekkend, al bekroop me soms het gevoel dat de strakke inkadering bij de beantwoording van de probleemstelling en de drang naar compleetheid de souplesse van tekst en opzet van het boek in de weg zit: als lezer kom je regelmatig herhalingen tegen. Maar dat bezwaar weegt totaal niet op tegen het enorme belang van deze fraai vormgegeven publicatie.

Website by HOAX Amsterdam