Grga Bašić, Neil Brenner, Mariano Gomez-Luque en Nikos Katsikis (2025)
Data-spheres of Planetary Urbanization
JOVIS Verlag, Berlijn
316 p.
ISBN 978-3-98612-270-6
€42
Regelmatig starten mijn studenten planologie hun scriptie of opdracht met de constatering dat meer dan de helft van de wereldbevolking in de stad woont. We leven in een stedelijk tijdperk, wordt er dan ook vaak gezegd. Grote clichés, en ik verwacht dat Neil Brenner c.s. daar graag een streep door trekken. We vergeten met zulke statements dat steden sterk leunen op hun achterland om het stadse leven mogelijk te maken. De Franse socioloog Henri Lefebvre constateerde al dat we ons niet moeten richten op steden, maar op verstedelijkingsprocessen. De invloed van de stad reikt dus (veel) verder dan haar administratieve grenzen. Brenner en zijn team spreken zelfs van ‘planetaire verstedelijking’. Met het boek Data-spheres of Planetary Urbanization tonen ze hoe verstedelijking zijn tentakels uitstrekt tot over heel de wereld.
Brenner werkt sinds 2014 vanuit het Urban Theory Lab (verbonden aan de Universiteit van Chicago; voorheen Harvard) met een groot aantal publicaties aan zijn these over planetary urbanization (o.a. Brenner & Schmid, 2014; Brenner, 2016; Brenner & Katsikis, 2020). In het bestuderen van de stad vergeten onderzoekers volgens Brenner de “operationele landschappen” die benodigd zijn om de stad draaiende te houden, zoals landbouwgrond, lithiummijnen en oceanen. De stad is volgens hem meer dan een plek waar we hoge dichtheden van inwoners en kapitaal treffen. De stad veroorzaakt ook “extended urbanization” elders. In die zin is het kappen van het Amazone-regenwoud voor landbouwdoeleinden net zo’n onderdeel van verstedelijking als het bouwen van een nieuwe woonwijk aan de rand van de stad. Een ander voorbeeld: als een stad ‘net-zero’ wil worden, welke zeldzame metalen zijn dan nodig om zonnepanelen te installeren? Je kan als stad trots claimen geen uitstoot meer te hebben, maar om dat mogelijk te maken moet er elders wél veel uitgestoten worden.
Een van de uitkomsten van het Urban Theory Lab is het inzichtelijk maken van planetaire verstedelijking door middel van data en kaarten. Onderzoekers uit het lab leverden een bijdrage aan de Biënnale van Venetië in 2021, die mede vanwege de Covid-19 pandemie ook online als film is verspreid. Dat steden leunen op hun achterland is op zichzelf geen schokkende stelling. De 19e-eeuwse econoom Von Thünen trok al cirkels om de stad om te laten zien waar voedsel werd geproduceerd. Wat Brenner en zijn team toevoegen is dat die lokale cirkels inmiddels vervangen zijn door mondiale systemen.
Het boek is opgebouwd in drie delen. In het eerste, theoretische deel wordt het idee van planetaire verstedelijking uitgediept. Andere bronnen zijn wellicht een beter startpunt voor wie hier nog niet mee bekend is (zoals Brenner & Schmid, 2014), maar de lezer krijgt een inkijkje in de ontwikkeling van deze these. Het gedachtegoed van Brenner is sterk geworteld in het marxisme en hij bouwt voort op een rijke traditie van stadsgeografisch onderzoek, in het bijzonder het werk van geograaf David Harvey. Centraal staat hoe natuurlijke hulpbronnen worden omgevormd tot commodities (handelswaar) om stedelijk leven mogelijk te maken; dat wil zeggen hoe deze hulpbronnen onderdeel worden van het stedelijk metabolisme (stromen van grondstoffen, energie en afval) met kapitaal als stuwende kracht hierachter. De auteurs spreken daarom niet van het Anthropoceen, maar van het Capitaloceen. Het theoretische deel kan een worsteling zijn voor niet-ingewijden met veel academisch, (neo)marxistisch jargon en moeilijke, lange zinnen.
Het tweede gedeelte behandelt de methodologie en resultaten van het in kaart brengen van planetaire verstedelijking. De auteurs beargumenteren dat bestaande kaarten over de stad en de aarde misleidend zijn en daarom ontwikkelden ze een alternatieve methode (‘counter-mapping’). Ze zetten zich af tegen de ‘spikey’ kaarten waar steden op worden uitgelicht op basis van kapitaal, inwoneraantal e.d. Als alternatief presenteren ze de stad juist als zwart, onuitputtelijk gat, dat grote hoeveelheden hulpbronnen, arbeid en kapitaal opzuigt. De operationele landschappen zijn juist ‘uitgedeukt’ op de kaart: zij leveren goedkope natuurlijke hulpbronnen en arbeid (“cheap nature”) om de stad in beweging te houden. De verbindingen tussen de stad en haar operationele landschappen zijn niet zomaar verbindingen over zee, spoor of door de lucht. Ze hebben tastbare verandering van de aarde als resultaat, dus de lijnen in de visualisaties snijden diepe patronen in de aardbol. De kaarten zijn duidelijk provocatief bedoeld. Met bestaande datasets weten de auteurs prachtige, nieuwe kaarten te produceren die overtuigend de verstrekkende gevolgen van verstedelijking tonen.
Het korte, laatste gedeelte bestaat uit reflecties van collega-wetenschappers, voornamelijk van andere Amerikaanse universiteiten die vergelijkbare concepten in hun werk toepassen. Deze voegen eerlijk gezegd weinig toe, het is vooral een herhaling van de hoofdboodschap met een enkele keer een interessante vervolgvraag.
Het valt de auteurs te prijzen hoe transparant ze zijn over hun insteek en de keuzes die ze onderweg hebben gemaakt. De uitgebreide verantwoording kan worden verklaard doordat ons beeld van de aarde volgens de auteurs vertekend is. De auteurs ontleden de beroemde NASA-foto van de aarde als ‘blue marble’, die eigenlijk geen ‘snapshot’ is, maar een compositie van miljoenen beelden. Kortom: elke datavisualisatie is gebaseerd op keuzes. We moeten eerlijker zijn over zulke data-manipulaties, claimen de auteurs, en daarom zijn zij eerlijk over de door hen gemaakte keuzes.
De gekozen methodologie resulteert in 18 kaarten die verschillende vormen van stedelijk metabolisme tonen (Figuur 1). Het gaat om de “input”-kant van natuurlijke hulpbronnen die we in de stad nodig hebben, de transportstromen die dit mogelijk maken, en het afval dat we vervolgens ergens anders dumpen (zoals CO2-uitstoot). Een aantal kaarten combineert vervolgens deze lagen. De uitkomst zijn 18 prachtige wereldbollen met soms angstaanjagende patronen. Het beeld van een “pure” aarde kan bij het grofvuil: verstedelijking beheerst de wereld.
Het is jammer dat de auteurs in hun analyse hebben gekozen de nadruk te leggen op de primaire industrie (landbouw, bosbouw, visserij). Financiële en kennisstromen worden niet in beeld gebracht. Ook IT-netwerken blijven helaas buiten beeld. Het wordt niet duidelijk of dit komt door databeschikbaarheid, of dat de “primary commodities” eenvoudiger te reconstrueren zijn. Om verstedelijking in al zijn facetten te bevatten zou zo’n verbreding wel wenselijk zijn. Zonder inzicht in financiële stromen blijft bijvoorbeeld de aansturing van primaire ketens buiten beeld.
Het publiek voor dit boek blijft onduidelijk. Het boek is op veel punten een echt boek voor andere wetenschappers, maar het lijkt ook de ambitie te hebben een breder publiek te trekken (zie ook de oorspronkelijke video voor de Biënnale). Voor zo’n breed publiek ligt het niveau echter wel hoog. Je kan je natuurlijk alleen aan de kaarten vergapen, maar het ondersteunende verhaal is ook van belang om de keuzes beter te kunnen begrijpen.
Dat maakt al met al dat ik ambivalent tegen dit boek sta. Lezers die vooral de theorie willen leren kennen, kunnen beter elders beginnen. Voor een breder publiek lijkt de video een prima instap voor dit gedachtegoed. Maar het boek afdoen als een mooie afsluiting voor het auteursteam van dit project, doet het boek ook tekort. De methodologie is vernieuwend en spannend, en vraagt erom verder ontwikkeld te worden, zoals een koppeling met financiële stromen.
Een vraag bleef knagen, ook verwoord door Kian Goh in haar bijdrage: waar kunnen alternatieve praktijken wortel schieten, als het kapitalistisch gedachtegoed niet alleen dominant is, maar ook werelddekkend?