recensies
5 min.

Ingrediënten voor een speelvriendelijke woonomgeving

Dinah Bornat (2025)

All to play for: How to design child-friendly housing

RIBA, Londen
ISBN 9781915722300
160 p.

Wie zich als ambtenaar, projectontwikkelaar of planoloog bezighoudt met de woningbouwopgave verzeilt al snel in discussies over de balans tussen betaalbaarheid, rendement en de behoefte aan voldoende woningen. Een architect op zijn of haar beurt zal zich vooral richten op zaken als de woningindeling, private buitenruimte en zoninval. Ondergeschoven kindje in dit soort ontwerpprocessen is vaak de (semi-)publieke buitenruimte rondom en tussen de woningen die bepalend is voor het speelgedrag van (jonge) kinderen. Dat is immers de ruimte waar kinderen vaak voor het eerst – zonder de fysieke aanwezigheid van ouders – mogen buitenspelen. In ‘All to play for: How to design child-friendly housing’ van de Britse architect Dinah Bornat wordt aandacht gevraagd voor deze blinde vlek binnen de woningbouwsector en worden enkele ingrediënten voorgeschoteld die kunnen helpen bij het realiseren van een meer kind- en speelvriendelijke omgeving nabij wooncomplexen.

In tegenstelling tot wat de ondertitel van het boek misschien doet vermoeden gaat de publicatie niet over de vormgeving of indeling van woningen vanuit een kinderperspectief. Het gaat over de relatie tussen woningen en de buitenruimte en welke waarde dat heeft voor kinderen. Bornat houdt daarbij een warm pleidooi om het spelen rondom de woning (‘doorstep play’) beter te faciliteren, zodat kinderen makkelijker en meer naar buiten gaan. En dat is een belangrijk pleidooi, want uit talloze onderzoeken weten we immers dat spelen, bewegen en ontmoeten van onschatbare waarde zijn voor de gezondheid, persoonlijke ontwikkeling én het plezier bij kinderen (Helleman, 2018).

Bornat is een van de directeuren van ZCD Architects: een architectenbureau uit Londen dat onderzoek verricht naar kindvriendelijke ontwerpen. Die Britse achtergrond is ook goed te merken in het eerste hoofdstuk waar in grote stappen de geschiedenis van de Britse volkshuisvesting aan bod komt in relatie tot buitenspelen. Hoewel dit deel misschien niet voor iedere Nederlandse lezer even interessant is, kan wel worden gesteld dat er redelijk veel overlap is met de ontwikkelingen elders in Europa: waar de vroeg-naoorlogse kinderen nog volop gebruik maakte van informele speelplekken (de straat, de stoep en grasvelden) zijn zij – mede door de opkomst van de auto en een nieuwe planningsdoctrine – steeds meer gedirigeerd naar formele speelplekken, zoals speeltuinen en openbare sportvelden.

Dankzij de onderzoeksachtergrond van het architectenbureau staat in de publicatie niet zozeer de geplande stad van professionals centraal, maar juist de geleefde stad van de gebruikers. Er zijn dus geen ingewikkelde technische tekeningen in deze publicatie, maar foto’s, heatmaps en citaten van ouders en kinderen die een beeld geven van hoe er binnen en rondom verschillende woningbouwcomplexen gespeeld en geleefd wordt.

In het tweede hoofdstuk wordt er op basis van observaties, een toetsingskader en gesprekken tijdens wandelingen met kinderen meer inzicht gegeven in het speellandschap van Engeland en Wales. Deze onderzoeken laten zien hoe 1) een directe toegang tot buitenruimten vanuit de woning en 2) de verbondenheid tussen publieke ruimten bepalende factoren zijn voor het spelen van kinderen. Dat lijken open deuren, maar wie een blik werpt op de buitenruimte bij onze vroeg-naoorlogse portieketageflats ziet dat de binnentuinen vaak moeilijk bereikbaar zijn en minder goed zijn aangesloten op andere openbare ruimten. Wel zijn deze binnentuinen autovrij en zijn er volop zichtlijnen vanuit de woning op deze potentiële speelplekken, zodat ouders hun kinderen in de gaten kunnen houden en kinderen kunnen zien wanneer hun vriendjes buiten zijn. Uitgangspunten die in de publicatie ook vaak als succesfactoren worden benoemd.

Jammer is dat bij de bespreking van de (kwantitatieve) onderzoeksresultaten er vooral veel aandacht wordt besteed aan gemeenschappelijke binnenterreinen en formele speelplekken, terwijl er weinig wordt gezegd over hoe er wordt gespeeld op (autoluwe) straten, pleinen, de stoep, de steeg, of de galerij van een flat. Twee casestudies uit Londen – aan het eind van het hoofdstuk – laten namelijk zien dat dit soort type buitenruimten ook van grote waarde kunnen zijn.

Hoofdstuk 3 geeft een inkijkje in de manier waarop het architectenbureau kinderen betrekt bij hun onderzoek. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van de Voice Opportunity Power Toolkit waarbij kinderen aan de hand van meerdere sessies en participatievormen hun mening kunnen geven. En dat is van belang, omdat kinderen in veel planningsprocessen een vergeten doelgroep zijn waardoor hun behoeften vaak worden genegeerd of onvoldoende worden begrepen. In het hoofdstuk worden belangrijke tips gegeven over hoe je aan de hand van creatieve werkvormen met kinderen en jongeren een dialoog kan starten, vertrouwen kan opbouwen en vervolgens samen impact kan maken.

In de laatste twee hoofdstukken worden tien woningbouwprojecten uit de 21ste eeuw besproken. Laag- en hoogbouwcomplexen uit Engeland (6x), Nederland (2x), Denemarken (1x) en Spanje (1x) met een soortgelijke woningbouwtypologie, namelijk woningen die rondom een gedeelde ruimte, veelal een centraal binnenplein, zijn gebouwd. Per project komen er één of twee ouders aan het woord en zij zijn vooral blij dat zij op zicht- en hoorafstand van hun woning een afgeschermde en autovrije ruimte hebben waar ze hun kinderen kunnen laten spelen. Wat de kinderen van deze collectieve buitenruimten vinden, blijft in deze hoofdstukken helaas onduidelijk. Niettemin laten deze projecten wel zien dat het voor het stimuleren van buitenspelen en ontmoeting van essentieel belang is dat woningbouw en buitenruimte met elkaar in verbinding staan, door het plaatsen van grote ramen in de woning zodat er zicht is op de buitenruimte en dat er een directe toegang tot de buitenruimte moet worden gecreëerd, eventueel via een private achtertuin. Daarnaast dient er nagedacht te worden over het scheiden van langzaam en gemotoriseerd verkeer en over de locatie van parkeerplekken zodat deze geen stoorzender worden voor beweging en ontmoeting.

Het nadeel van deze tien ‘best practices’ is dat ze slechts een momentopname zijn op basis van één bezoek en één gesprek. Een diepgrondige analyse ontbreekt. Het zou interessant zijn geweest als de eerder geformuleerde onderzoeksmethoden ook hier waren toegepast. Daarnaast lijken ze een iets te rooskleurig beeld te geven van deze woningbouwtypologie omdat het bij de gepresenteerde projecten vaak om woongemeenschappen gaat. We weten uit Nederland dat op plekken waar die sociale verbondenheid er niet is, er sneller sprake is van verwaarlozing, eigen belang en klachten over geluidsoverlast van spelende kinderen (Agricola et al., 2002).

Een andere belangrijke kanttekening is dat er meerdere projecten worden gepresenteerd met afgesloten collectieve ruimten. Dergelijke enclaves hebben weinig speelwaarde voor andere buurtbewoners tenzij je bij een vriendje of vriendinnetje in het complex komt spelen. Maar ook bij de meer semi-publieke binnentuinen is het lang niet altijd duidelijk of andere kinderen hier ook mogen spelen. De woningeigenaren zijn er vaak niet van gediend, zo lezen we, waardoor er hekken of bordjes worden geplaatst die aangeven dat de buitenruimte alleen voor de bewoners is. Discussies en ruimteclaims die we ook in Nederland bij nieuwbouwprojecten zien (Nio, 2024). Opvallend is dat de auteur hier geen stelling over inneemt of advies over geeft. Dat komt mogelijk doordat zij in haar analyse toch vooral op postzegelniveau naar de materie kijkt. De te ontwerpen woning en de toegankelijkheid van de gedeelde buitenruimte voor het daar wonende kind staan centraal. Welke invloed deze woningbouwtypologie en de afsluiting van de buitenruimte heeft op andere buurtkinderen, wordt niet behandeld. De aandacht ligt zo vooral op het buitenspelen van jonge kinderen in de nabijheid van hun beschermende ouders, terwijl buitenspelen zo veel meer is.

Al met al is deze kleurrijke publicatie een mix van een manifest, onderzoeksrapport en projectenoverzicht, waarbij het soms niet altijd duidelijk is waar de ideologie van de auteur eindigt en de onderzoeksresultaten beginnen. De rode draad zijn een aantal terugkerende elementen (autovrije gebieden, collectieve buitenruimten, toegankelijkheid, verbinding van plekken en zichtlijnen) die het buitenspelen kunnen stimuleren als daar binnen de woningbouwsector meer rekening mee wordt gehouden. Een boodschap die meer aandacht verdient en waarmee deze publicatie ook meteen zijn meerwaarde heeft bewezen voor iedereen die zich bezighoudt met woningbouw.

Website by HOAX Amsterdam