recensies
6 min.

Vervreemding door de wooncrisis

Amersfoort. Foto: Micheile Henderson, Unsplash.

Alva Gotby

Feeling at Home: Transforming the Politics of Housing

Verso, Londen

192 p.

9781804297179

€ 14,95

In veel landen wordt gesproken over een wooncrisis, Nederland is hierbij geen uitzondering. Het gaat hierbij om veel meer dan een kwantitatief tekort aan woningen, maar om een stapeling aan woonproblemen en -uitdagingen. Die wooncrisis gooit mensenlevens overhoop, en zorgt ervoor dat voor te veel mensen de woning een plek van vervreemding is.

In haar boek Feeling at Home (2025, Verso) probeert Alva Gotby een nieuwe analyse van de wooncrisis te ontwikkelen. Gotby, een in Londen woonachtige schrijver met een PhD in de media studies, is als activist nauw bij het onderwerp betrokken en heeft een pamflettistisch manuscript geschreven waarin zij haar voor- en afkeuren niet onder stoelen of banken steekt. De inzet van het boek blijkt uit de ondertitel die het heeft meegekregen: Transforming the Politics of Housing.

Gotby richt zich met haar boek duidelijk tot de linker politieke vleugel, of het nu gaat om politici, wetenschappers of activisten. Haar vertrekpunt is dat links zich blindstaart op de analyse dat woningen te veel tot winstobject zijn verworden, en daarbij de gebruikswaarde van de woning wordt verdrongen. Die analyse vormt de basis voor veel gebezigde slogans als “wonen is een recht, geen verdienmodel” of “woningen voor mensen, niet voor winst.”

In plaats van zich op deze neoliberalisering van onze woonsystemen te richten, wil Gotby met Feeling at Home wonen analyseren als een centraal onderdeel van kapitalistische sociale reproductie. Die sociale reproductie houdt in dat de werkende klasse moet kunnen overleven, enigszins gezond en productief moet kunnen blijven, en zichzelf moet kunnen reproduceren (dat wil zeggen: kinderen krijgen en grootbrengen). Dit zijn allemaal belangrijke gebruikswaarden voor het voortbestaan van het kapitalisme, en onze woonsystemen zijn hierop afgestemd. Andere vormen van sociale reproductie, waarin open gemeenschappen, sociale relaties buiten het gezin, en onderlinge zorg centraal staan, worden tegelijkertijd nagenoeg onmogelijk gemaakt.

In een kleine 200 pagina’s diagnosticeert Gotby onze woonsystemen, waarbij ze vooral leunt op inzichten uit het Verenigd Koninkrijk. Ondanks deze beperkte geografische focus, zijn veel van de argumenten evengoed van toepassing op andere Europese landen, waaronder Nederland. De woonsystemen van veel van deze landen bewegen zich namelijk in een soortgelijke richting, ook al zijn er belangrijke verschillen. In korte, essayistische hoofdstukken bespreekt Gotby zowel de materiële als ideologische componenten van onze hedendaagse wooncrisis.

Aan de materiële kant schrijft ze bijvoorbeeld dat voor veel huurders woonprecariteit tot de orde der dingen is gaan behoren (hoofdstuk 3). Dit is het gevolg van gebrekkige huurdersbescherming, veelvuldige huisuitzettingen, en ongelijke machtsverhoudingen tussen huurders en verhuurders. In plaats van woonzekerheid als basis voor thuisgevoelens, zorgt dit voor een vervreemding van de eigen woonplek. De woning is daarmee een fundamentele oorzaak van slechte gezondheid (hoofdstuk 4), hoewel dit natuurlijk niet voor iedereen geldt. Het gaat hier om fysiek ontoereikende woonomstandigheden (zoals schimmelwoningen) maar ook te hoge woonlasten en het stigmatiseren van bewonersgroepen (zoals sociale huurders) die het mentale welzijn onder druk zetten.

Daarnaast bespreekt ze de woning als bron van sociale ongelijkheid tussen generaties (hoofdstuk 6). Het gaat hier om de bekende analyse dat terwijl oudere generaties hebben geprofiteerd van de waardevermeerdering van hun vastgoed, jongere generaties er niet aan te pas komen en buiten de boot vallen. Gotby merkt hierbij terecht op dat vooral de intergenerationele overdracht van ongelijkheid een punt van zorg is: vermogende ouders kunnen hun kinderen een schier onoverbrugbare voorsprong op de woningmarkt schenken.

De empirische analyses in het boek blijven helaas echter flinterdun, concrete data komen nauwelijks aan bod of worden eenzijdig belicht. Het boek blijft daardoor erg aan de oppervlakte. Voor een losstaand essay werkt deze vorm wellicht goed, maar voor een boek is het te weinig. In de introductie schrijft Gotby zelf al dat haar boek de symptomen onderzoekt van een woonsysteem dat er niet in slaagt voor de meeste mensen goede huisvesting te garanderen (wat op zichzelf al een betwistbare empirische claim is). Deze focus op symptomen is weinig bevredigend, zowel analytisch als activistisch.

Tenslotte ontleedt ze de ideologieën die ons denken over wonen en ons algehele woonbeleid beïnvloeden. Het gaat hierbij om patriarchale en conservatieve denkbeelden die niet alleen het eigenwoningbezit verheerlijken, maar vooral ook de eengezinswoning die is ingericht voor het traditionele kerngezin waarbij de man de hoofdkostwinner is en de vrouw verantwoordelijk voor het huishouden (hoofdstuk 1). Gotby stelt dat velen de eengezinswoning associëren met eigenaarschap, privacy, en bescherming tegen de buitenwereld, allemaal individualistische waarden waarbij de ander vooral wordt gezien als een bedreiging (hoofdstuk 5). Tegelijkertijd wordt de eigen woning geromantiseerd als een veilig en stabiel thuis, waarbij Gotby de feministische literatuur aanhaalt die laat zien dat de woning tegelijkertijd, en vooral voor vrouwen, veelal ook een plek is van onbetaald werk en huiselijk geweld (hoofdstuk 2).

Deze meer theoretische hoofdstukken vormen de sterkste delen van het boek. Ze bieden interessante inzichten in de ideologieën die ten grondslag liggen aan ons denken over wonen. Deze inzichten zijn weliswaar al uitgebreid behandeld in de vakliteratuur, maar Gotby tekent ze helder op in een breder publieksboek. De onderlinge samenhang tussen de hoofdstukken, en hoe zij zich precies verhouden tot de grotere bijdrage over sociale reproductie, is niet altijd even helder.

Richting het slot van het boek gaat Gotby in op de vraag wat voor woonsysteem we dan wel zouden moeten nastreven (hoofdstuk 7). Ze is kritisch op de (vooral op links aanwezige) wens om weer in te zetten op grootschalige sociale woningbouw middels overheidsingrijpen. Deze kritiek is interessant, zeker ook voor de Nederlandse context waar de afgelopen jaren veel is gesproken over het versterken van de volkshuisvesting.

Gotby gelooft niet in sociale woningbouw, want dat ideaal is gestoeld op “de mythe van de welwillende overheid” (p.115). Sociale woningbouw is daarmee voor haar hooguit een kapitalistisch compromis, waarbij huurders nog steeds een diep gebrek aan democratie en zeggenschap ervaren. Het houdt enkel de kapitalistische sociale reproductie in stand. Bovendien moeten die sociale woningen ook door iemand of iets verhuurd worden en voor Gotby “there’s no such thing as a good landlord” (p.25).

Hier begint het bij mij te kriebelen en dit is ook een van de redenen dat ik dit boek niet zou aanraden. Het boek biedt weliswaar verschillende interessante inzichten, maar stevige statement zoals bovenstaande worden verder niet onderbouwd. Nergens in dit boek lees ik een uitgewerkte theorie van de staat, of een analyse van het gedrag van verschillende typen verhuurders (zoals woningcorporaties). Dat is jammer, deze beweringen schreeuwen om een stevige analyse van de vaak te innige relatie tussen staat en vastgoedkapitaal, of een scherpe argumentatie waarom verhuurders nooit goed kunnen zijn. De argumenten blijven nu echter hangen in weinig uitgewerkte stropopredeneringen. Britse auteurs als Josh Ryan-Collins (2019), Brett Christophers (2018) en Vicky Spratt (2022) hebben hier de afgelopen jaren beter onderbouwde, maar nog steeds toegankelijke publieksboeken over geschreven.

Als grootschalige sociale woningbouw niet de oplossing is, hoe moet het dan wel? In hoofdstuk 8 formuleert Gotby een alternatief voor de woning en het gezin als eenheid. Ze is voorstander van het collectiviseren van wonen en reproductieve arbeid, in de vorm van open gemeenschappen gestoeld op onderlinge zorg. Hiermee sluit ze expliciet aan op de coöperatieve gedachte. Ik ben het met Gotby eens dat de wooncoöperaties heel inspirerend kunnen zijn, ze laten zien welke alternatieven er buiten het reguliere systeem mogelijk zijn. Volgens Gotby zijn wooncoöperaties binnen een kapitalistisch systeem echter gedoemd te falen, en moeten daarom de kapitalistische samenleving uitdagen in de strijd voor maatschappelijke verandering. Hoe dat er dan uit zou komen te zien, blijft helaas ook onduidelijk.

Ik deel de ambitie van Gotby om een bijdrage te leveren die zowel wetenschappelijk als activistisch relevant is, en na het lezen van het boek vermoed ik dat we het op heel veel punten met elkaar eens zijn. Het is daarmee een veeg teken dat ze mij niet heeft weten te overtuigen. Daarvoor is Feeling at Home empirisch te zwak, of selectief, onderbouwd waardoor het mij onduidelijk blijft hoe haar focus op sociale reproductie bijdraagt aan het begrijpen van de hedendaagse woonpolitiek, laat staan deze fundamenteel te transformeren.

Website by HOAX Amsterdam