recensies
7 min.

Wie stuurt de stad met AI?

Foto: een bezorger van Uber Eats (bron: Zhuo Cheng you, Unsplash).

Paul Rutten en Martijn de Waal (2026)

Stedelijk leven onder algoritmes: Klik hier om de voorwaarden te accepteren

trancity*valiz, Haarlem/Amsterdam

110 p.

ISBN 978-94-93246-54-6

€17,50 of hier gratis te downloaden

Een automobilist volgt niet meer alleen de borden langs de weg. Hij volgt Google Maps. In Sneek wil de gemeente de binnenstad autoluwer maken. Navigatieapps reageren op de verkeersingrepen door automobilisten via rustige woonwijken te leiden. De gemeente probeert dat te voorkomen door drie bruggen in een verkeersdatabase als afgesloten te registreren, terwijl ze feitelijk openblijven. Een lokale beleidskeuze krijgt zo via private navigatiesystemen een onvoorzien ruimtelijk effect, waarna de gemeente naar een juridisch en bestuurlijk twijfelachtige tegenzet grijpt.

Paul Rutten (onafhankelijk onderzoeker) en Martijn de Waal (lector Civic Interaction Design aan de Hogeschool van Amsterdam) gebruiken dit voorbeeld niet als curiositeit, maar als ingang tot een groter stedelijk vraagstuk. Digitale diensten zijn geen neutrale laag boven op de stad. Ze beïnvloeden routes, zichtbaarheid, toegang, ontmoeting, consumptie, arbeid en soms de uitvoering van publieke regels, vaak zonder dat zij binnen het klassieke instrumentarium van ruimtelijke ordening vallen.

Het essay Stedelijk leven onder algoritmes positioneert digitalisering als een ruimtelijk en politiek vraagstuk binnen de stedelijke ontwikkeling. Rutten en De Waal bouwen hun betoog in vier stappen op. Eerst onderscheiden zij drie perspectieven op de ordening van de digitale stad: de smart city, de platformgedreven stedelijkheid (waarbij platforms zoals Airbnb en Uber invloed hebben op wonen, mobiliteit, werk en andere stedelijke diensten) en smart citizens. Vervolgens brengen zij bestaande stedelijke perspectieven samen en vertalen die naar een afwegingskader voor digitalisering, rond de voorzienende, verbindende en rechtvaardige stad. Daarna onderzoeken zij de gevolgen van digitalisering voor het stedelijk leven. Tot slot bespreken zij drie handelingsrichtingen voor gemeenten: reguleren, produceren en procureren, en stimuleren.

Die opzet is actueel. Het essay komt voort uit het onderzoeksproject The Quality of Life in Smart Urban Spaces (2024), uitgevoerd binnen de route Smart, Liveable Cities van de Nationale Wetenschapsagenda, een samenwerking tussen Hogeschool Rotterdam, de Hogeschool van Amsterdam, Fontys en Waag. De auteurs onderbouwen de urgentie ervan ook zelf: digitale technologie grijpt in hoog tempo in op het stedelijk leven, terwijl literatuur, onderzoek en beleid over ruimtelijke ordening daar nog nauwelijks op reageren. Dat past bij de vorm van het stadsessay: verkennend, breed opgezet en gericht op het openen van een denkkader, zonder de pretentie een beleidsmatige handreiking te bieden.

Richard Sennett onderscheidde eerder de ville, de fysieke stad, en de cité, het sociale en politieke stedelijke leven. Rutten en De Waal voegen daar réseaux (netwerken) aan toe: de digitale netwerken die zich tussen beide hebben genesteld. Dat is hun belangrijkste toevoeging aan het denken over de stad. Deze toevoeging werkt vooral doordat de digitale laag als een zelfstandige structurerende kracht wordt behandeld, die volgens het essay in toenemende mate richting geeft aan wat er in de stad gebeurt.

Réseaux beschrijft op zichzelf geen nieuw fenomeen. Je kunt tegenwerpen dat dit vooral een herlabeling is van wat de literatuur over platform urbanism, onderzoek naar hoe techbedrijven als Uber en Airbnb stedelijke processen herstructureren, al beschreef. Het verschil zit in de positie: réseaux vormt ville en cité actief mee, in plaats van er slechts naast te staan. Ook réseaux is daarbij niet neutraal: algoritmes lijken technisch, maar bevatten aannames over wat telt en wie prioriteit krijgt, precies de depolitisering waar de auteurs scherp op wijzen. Denk aan een verkeersalgoritme dat reistijd optimaliseert maar niets zegt over de leefbaarheid van de straat waar het verkeer doorheen wordt gestuurd, of een dashboard dat toont wat meetbaar is maar niet vanzelf wat maatschappelijk van waarde is.

Het essay onderscheidt drie sturingslogica’s die verschillende actoren in de digitale stad hanteren: de smart city met de overheid als operator, platformurbanisme waarin bedrijven als Google en Uber stedelijke condities herschrijven vanuit commercieel belang, en smart citizens, waarin burgers digitale middelen inzetten voor zeggenschap en commons. De waarde van die driedeling ligt vooral in het zichtbaar maken van botsende belangen: overheid, markt en samenleving organiseren de digitale stad vanuit andere logica’s. Dat verklaart meteen waarom er niet één antwoord is op de vraag wie de stad stuurt.

De auteurs werken dit afwegingskader uit langs drie perspectieven. De voorzienende stad, een begrip dat zij mede ontlenen aan Edwin Buitelaar (2020) maar anders invullen, gaat over toegang tot basisvoorzieningen, hulpbronnen en fysieke en digitale infrastructuren. De verbindende stad richt zich op publieke ruimte, sociale infrastructuur en de mogelijkheid om anderen te ontmoeten. De rechtvaardige stad stelt de verdeling van toegang, zeggenschap, opbrengsten en lasten centraal. De meerwaarde zit in de combinatie: waar de losse perspectieven algauw langs elkaar heen praten, maakt dit kader spanningen zichtbaar, bijvoorbeeld tussen efficiënte voorzieningen en rechtvaardige toegang, die anders onopgemerkt zouden blijven.

Vervolgens onderzoeken Rutten en De Waal wat deze digitale ordening met het stedelijk leven doet. Personalisering kan mensen steeds gerichter bedienen, maar ook de gedeelde ervaring van de stad verzwakken. Toegang tot voorzieningen krijgt vaker de vorm van een digitale licentie, terwijl profilering en geautomatiseerde selectie bepalen wie zichtbaar wordt, kan deelnemen of wordt uitgesloten. Daarmee raakt digitalisering aan klassieke stedelijke waarden als anonimiteit, ontmoeting tussen vreemden en gelijke toegang tot publieke ruimte.

Boven op deze bredere digitalisering komen nu specifieke technologische krachten die het stedelijk leven verder vormen.Generatieve en agentische AI verschijnen in het essay vooral als krachten die stedelijke informatie, ervaringen en besluitvorming beïnvloeden. De auteurs bespreken onder meer chatbots, algoritmische besluitvorming en het energiegebruik van datacentra. Eerdere vormen van stedelijke modellering en digital twins komen eveneens aan bod.

Minder aandacht is er voor de inzet van generatieve AI binnen de gemeentelijke en ruimtelijke praktijk zelf, bijvoorbeeld voor analyse, scenariovorming en het opstellen of beoordelen van beleidsinformatie. Daarmee blijft ook een bestuurlijke spanning onderbelicht: gemeenten kunnen met AI hun eigen capaciteit vergroten, terwijl dezelfde ontwikkeling de hoeveelheid en complexiteit van informatie, participatie en juridische reacties kan opvoeren. Juist voor organisaties die al kampen met beperkte technische en organisatorische capaciteit verdient die spanning meer aandacht.

Deze gevolgen maken de vraag naar zeggenschap concreet. Zodra digitale systemen bepalen wie toegang krijgt, zichtbaar wordt of door de stad wordt geleid, ontstaat ook de vraag wie die systemen kan begrenzen en op welk bestuursniveau dat moet gebeuren

Het essay erkent dat gemeenten zeggenschap missen, benoemt dat aankloppen bij een partij als Google weinig oplevert en wijst op de noodzaak van samenwerking tussen steden en hogere overheden. Concreter dan dat wordt het nog niet.

Het essay laat zien dat gemeenten over verschillende aangrijpingspunten beschikken, van voorwaarden bij inkoop en toegang tot relevante data tot het ondersteunen van publieke of maatschappelijke alternatieven. Tegelijk lopen zij bij internationaal opererende platforms al snel tegen juridische, technische en organisatorische grenzen aan. Vanuit de gemeentelijke praktijk valt daarbij op dat lokale sturingsmacht het meest direct is wanneer een digitale dienst zichtbare gevolgen heeft voor de fysieke stad of binnen een bestaande bevoegdheid valt, zoals woninggebruik, taxivervoer, vergunningverlening of openbare orde. Waar zo’n aangrijpingspunt ontbreekt, worden de beschikbare instrumenten indirecter en neemt het belang van nationale of Europese regulering toe.

Barcelona laat zien dat gemeentelijke zeggenschap ook kan vastlopen wanneer het politieke mandaat aanwezig is, maar de organisatorische en technische uitvoeringskracht achterblijft. Het essay beschrijft hoe de stad na 2015, met Francesca Bria als chief technology officer, beleid gericht op digitale soevereiniteit voerde en investeerde in open data, open source software en het burgerplatform Decidim. Toch bleef de uitvoering achter: de innovatieafdeling werkte geïsoleerd van de rest van het ambtelijk apparaat en de gemeente kon niet concurreren met de techsector om talent.

Het voorbeeld van Barcelona legt daarmee een structureel probleem bloot: zelfs een grote stad met een duidelijk politiek mandaat en een internationaal zichtbare digitale agenda beschikt niet vanzelf over voldoende capaciteit om grote technologiebedrijven tegenwicht te bieden. Voor individuele gemeenten geldt dat des te sterker. Daaruit volgt in deze recensie een conclusie die verder gaat dan het essay zelf: effectieve regulering van internationaal opererende platforms zal voor een belangrijk deel op nationaal en Europees niveau moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld via de Digital Services Act en de Digital Markets Act. Het essay werkt deze verdeling tussen bestuursniveaus niet systematisch uit, maar bevat wel argumenten die in die richting wijzen.

De rijkdom van het essay heeft ook een keerzijde. De auteurs verbinden uiteenlopende denktradities en voorbeelden, van Lefebvre en Mazzucato tot commons en digital twins, waardoor sommige begrippen en handelingsrichtingen beperkt worden uitgewerkt. Ook de praktische vertaling blijft op hoofdlijnen. Het slothoofdstuk ordent de gemeentelijke mogelijkheden als reguleren, produceren en procureren, en stimuleren, met voorbeelden als Common Ground en de Rotterdamse Citiverse, maar werkt niet uit welke institutionele voorwaarden voor elke route nodig zijn. Als analyse overtuigt het essay; als handelingskader biedt het vooral een eerste aanzet.

De grootste verdienste van Stedelijk leven onder algoritmes is dat het digitalisering overtuigend binnen het hart van het stedelijke vraagstuk plaatst. Het verbindt fysieke ruimte, sociaal leven en digitale netwerken en maakt zichtbaar dat algoritmes altijd keuzes over toegang, zichtbaarheid en verdeling bevatten. De resterende zwakte ligt in de institutionele vertaling: het essay benoemt veel aangrijpingspunten, maar werkt beperkt uit welke overheid onder welke omstandigheden werkelijk kan handelen.

Daarmee dwingt het essay ruimtelijke professionals stil te staan bij iets wat gemakkelijk buiten beeld blijft: de digitale laag vormt zowel de stad die zij proberen te ordenen als hun eigen werk daarbinnen. Een omgevingsplan, aanbesteding of participatietraject opereert allang binnen een omgeving van algoritmes, platforms en datastromen. Wie die laag negeert, mist een deel van wat de stad feitelijk stuurt.

Website by HOAX Amsterdam