Ode aan de doorzonwoning
Walburg Pers, Zutphen
224 p.
ISBN 978-94-645-6394-8
€ 29,99
Tot voor kort had ik nauwelijks over de doorzonwoning nagedacht, stelt Tim Smeets in de inleiding van Ode aan de doorzonwoning. Terwijl je er in Nederland niet omheen kan: in steden en dorpen door heel het land zijn de rijtjes met doorzonwoningen te zien, in totaal meer dan een miljoen. De doorzonwoning is dan ook zeer kenmerkend voor de woningbouw na 1950. Een straat met doorzonwoningen is inmiddels nagebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, zodat we niet voorbij gaan aan de geschiedenis van dit alledaagse ontwerp. Het is heel gemiddeld, en daarom juist interessant, zo stelt het museum. Conservator Tim Smeets schreef het bijbehorende boek waarin chronologisch de geschiedenis van de doorzonwoning wordt behandeld.
De eerste hoofdstukken schetsen hoe de doorzonwoning heeft kunnen ontstaan. Het is de periode van de wederopbouw. Met schaarse middelen moeten snel veel woningen uit de grond worden gestampt. Nieuwe plannen worden gemaakt om hier handen en voeten aan te geven. Het maakbaarheidsdenken komt bijvoorbeeld terug in ‘de wijkgedachte’: het zorgen dat nieuwe bewoners een sterke band met de wijk ontwikkelen en hun hele woningcarrière in de wijk kunnen blijven wonen. Ondertussen is er een grote schaarste aan personeel en materialen (zoals bakstenen). Allerlei bedrijven zijn druk bezig om met geprefabriceerde materialen zo efficiënt mogelijk huizen in elkaar te zetten. Ze experimenteren volop met beton, metaal en hout. Door standaardmaten te hanteren kunnen woningen snel en betaalbaar gerealiseerd worden. Bedrijven als Guelen weten slim opdrachten in kleine gemeenten binnen te halen: wel systeembouw, maar niet te grote aantallen. Voor 12.000 gulden heb je als gemeente al een woning.
Het leidt tot wat we nu kennen als de doorzonwoning – de woning met licht, lucht en ruimte. De oppervlakte van de begane grond is bijvoorbeeld 49 vierkante meter, met een verdieping en een lage zolder. De woonkamer strekt zich uit over de volledige diepte, met aan weerszijden een groot raam. Het maakbaarheidsideaal sijpelt in alle ruimtes door. Zie bijvoorbeeld de drie slaapkamers op de eerste verdieping: de grootste voor de ouders, en twee kinderkamers (want jongens en meisjes slapen apart). Ook krijgt elke woning een eigen wc, de poepdoos uit de oude volksbuurten is verleden tijd. De vele foto’s en kaarten geven een mooi tijdsbeeld en brengen de doorzonwoning tot leven. Als intermezzo’s zijn er interviews met huidige bewoners van doorzonwoningen.
In de latere hoofdstukken is er meer aandacht voor de keerzijdes van de doorzonwoningen. Ze werden al snel verguisd. Ze bleken gehorig, zijn slordig afgewerkt en er zijn klachten over de vaste inrichting. Bewoners voelen ook weinig privacy door de grote ramen waar iedereen naar binnen kan kijken. Maar de productie kwam net lekker op stoom. Pas vanaf de jaren ’80 komen nieuwe typen woningen op. Het slothoofdstuk werpt de vraag op of de doorzonwoning nog toekomst heeft. Na zo’n ode kan het antwoord niet negatief worden beantwoord natuurlijk.