themas
8 min.

Beoogde steden

Uitzicht op Almere. Copyright Theo Baart.
Informatie en overzicht themareeks

Almere wordt vijftig jaar. In 1976 werd de eerste woning opgeleverd; nu hoort de stad qua inwonertal tot de grootste steden van Nederland. De geschiedenis van deze stad gaat echter verder terug in de tijd. De ideevorming over nieuwe steden op het nieuwe land werd al in de jaren zestig ingezet, aangestuurd door de Rijksdienst voor de IJsselmeer Polders (RIJP). Ideeën over sociaal-ruimtelijke vernieuwing waren leidend in de verschillende plannen die ontwikkeld werden.

Deze ideeën zijn door de jaren heen voortdurend veranderd en aangescherpt, zowel tijdens de planvorming en realisatie, als in de recente fasen van uitbreiding en stedelijke vernieuwing. De nieuwe steden in de jonge provincie Flevoland waren daarbij niet uniek. In dezelfde periode groeiden elders in Nederland dorpen en kleine steden in hoog tempo uit tot volwaardige stedelijke kernen binnen het groeikernenbeleid. Ook daar werden complete stadsdelen in korte tijd gerealiseerd, met vergelijkbare ambities rond spreiding, leefbaarheid en maakbaarheid. Vijftig jaar Almere vormt daarmee een aanleiding voor deze themareeks: om terug te kijken op de ontwikkeling van nieuwe steden in Nederland en vooral om te vragen wat die ervaring ons leert voor de toekomst, nu nieuwe steden opnieuw op de politieke agenda staan.

Want opvallend genoeg zijn nieuwe steden opnieuw actueel in de politiek. In verkiezingsprogramma’s duiken niet alleen voorstellen op voor grootschalige stedelijke uitbreiding, maar zelfs voor de bouw van volledig nieuws steden. Goede verbindingen, duurzame én betaalbare woningen en “volop voorzieningen” moeten deze steden aantrekkelijk maken voor uiteenlopende groepen bewoners (D66, 2025). In het verkiezingsprogramma van D66 wordt zelfs een eerste voorstel gelanceerd: IJstad, nieuw land tussen Amsterdam en Flevoland, verbonden aan beide kanten (Jetten & Vijlbrief, 2025). Het voorstel doet denken aan het plan IJ-land uit 2009, dat destijds als nieuw stadsdeel van Almere werd voorgesteld, maar nooit werd uitgevoerd of – verder terug in de tijd – Plan Pampus uit 1966, als nieuw stadsdeel van Amsterdam.

Ambitieuze uitspraken werken goed in verkiezingstijd, maar ze roepen ook fundamentele vragen op. Wat betekent het eigenlijk om een nieuwe stad te bouwen? Die vraag gaat verder dan woningproductie alleen: wat vraagt het bouwen van een stad op sociaal, ruimtelijk, institutioneel en cultureel vlak? Hoe verhouden plannen op de tekentafel zich tot de beleefde stedelijke werkelijkheid van toekomstige inwoners? En hoe toekomstbestendig is de stad, als de maatschappelijke en natuurlijke condities veranderen?

Nieuwe steden in Nederland

Almere staat niet op zichzelf. De stad is onderdeel van een bredere Europese beweging van New Towns, die vooral tussen 1945 en 1975 haar hoogtepunt kende. In die periode werden in heel Europa nieuwe steden gebouwd binnen de invloedssferen van bestaande metropolen. Ze moesten verlichting bieden aan overvolle en verkrotte binnensteden, suburbanisatie in goede banen leiden en tegelijkertijd nieuwe woonidealen mogelijk maken: ruimte, groen, rust, gericht op zelfontplooiing van het individu, maar wel binnen stedelijke invloedsfeer (Wakeman, 2016).

 

De stad was een plan, en dat plan was een politieke keuze.

In Nederland kreeg deze beweging een uitgesproken ruimtelijk-politieke vorm in het groeikernenbeleid. Rondom de grote steden werden groeikernen aangewezen waar de bevolkingsgroei geconcentreerd moest worden, met als expliciet doel het Groene Hart open te houden. Negentien gemeenten kregen deze status. In de meeste gevallen ging het om bestaande dorpen en kleine steden, maar met Almere en Lelystad werden ook volledig nieuwe steden gerealiseerd.

Die nieuwe steden waren geen neutrale ruimtelijke ingrepen. Ze waren doordrenkt van ideeën over samenleving, bestuur en maakbaarheid. De nationale overheid speelde een centrale rol: via rijksnota’s, financiële instrumenten en strakke programmering werd stedelijke groei gestuurd en gefaseerd. De stad was een plan, en dat plan was een politieke keuze.

Al vrij snel bleek echter dat deze manier van stadmaken geen vanzelfsprekend vervolg kende. Vanaf de jaren tachtig verschoof het nationale ruimtelijke beleid. Het groeikernenbeleid werd afgebouwd, de aandacht verschoof naar de bestaande stad en de rijksoverheid trok zich stap voor stap terug. In de plaats daarvan ontstond een complexer speelveld van gemeenten, marktpartijen en semi-publieke organisaties.

Deze institutionele verschuiving ging gepaard met een inhoudelijke verandering in het denken over stedelijkheid. Waar nieuwe steden aanvankelijk vooral werden opgevat als woonsteden, kwam vanaf de jaren negentig steeds meer nadruk te liggen op identiteit, cultuur en centrumvorming (Nio, 2016). Stedelijke ‘volledigheid’ werd niet langer alleen gemeten in aantallen woningen en voorzieningen, maar ook in symbolische en culturele termen: levendige centra, iconische architectuur, evenementen en stedelijke profilering (Reijndorp et al., 2012). Dit patroon is scherp zichtbaar in de Nederlandse groeikernen, en kreeg doorgaans gestalte via publiek-private samenwerkingen, waardoor ook marktlogica een steeds grotere rol kreeg in hun ruimtelijke ontwikkeling.

 

 

Die verwevenheid van planning en markt bleef niet zonder politieke gevolgen. Rond de eeuwwisseling kregen in veel groeikernen lokale leefbaarheidspartijen voet aan de grond. Partijen als Leefbaar Almere, Leefbaar Zoetermeer en Leefbaar Capelle verwoordden een groeiend ongemak onder bewoners over een stedelijke ontwikkeling die steeds sterker werd gedreven door iconische projecten, publiek-private samenwerkingen en abstracte groeidoelstellingen. Terwijl stedelijke ambities zich richtten op centrumvorming, profilering en regionale concurrentiekracht, ervoeren veel bewoners een achterblijvende aandacht voor alledaagse leefbaarheid, voorzieningen en zeggenschap (Reijndorp et al., 2012). Leefbaarheid fungeerde daarbij als tegenbegrip: een politiek geladen correctie op een ontwikkelingslogica waarin marktpartijen en projectmatige sturing dominant waren geworden.

De opkomst van deze partijen markeert een verschuiving in de rol van bewoners binnen nieuwe steden. Waar zij lange tijd vooral eindgebruikers waren van een geplande stad, positioneerden zij zich steeds nadrukkelijker als politieke actoren die keuzes ter discussie stelden. Daarmee werd zichtbaar dat stedelijke ontwikkeling niet alleen een technisch of economisch proces is, maar ook een arena van conflicterende waarden en belangen. Bewoners werden zo onderdeel van de coalities die de stad maken – niet als vanzelfsprekende partners, maar als kritische tegenstem in een voortdurend veranderend stedelijk krachtenveld.

Vandaag staan veel voormalige groeikernen voor samenlopende en structurele opgaven. De wijken die in de jaren zeventig en tachtig in hoog tempo zijn gebouwd, bereiken gelijktijdig een fase van fysieke en sociale slijtage, terwijl voorzieningen en arbeidsplaatsen in minder centraal gelegen groeikernen structureel achterblijven. Demografische verschuivingen, zoals een vergrijzende bevolking en een instroom van lage sociaal economische klassen, versterken deze kwetsbaarheid (Wijkwijzer, 2024). Tegelijkertijd groeit de druk om opnieuw grootschalig te bouwen, vaak met een retoriek die sterk doet denken aan eerdere groeigolven.

Complex speelveld

Wat deze geschiedenis laat zien, is dat nieuwe steden niet één keer worden ontworpen en vervolgens ‘af’ zijn. Ze worden gemaakt in de tijd: door wisselende coalities van overheden, ontwerpers, marktpartijen en bewoners; door veranderende beleidsdoelen; en door maatschappelijke verschuivingen die zich vertalen in nieuwe ruimtelijke claims. De stedelijke ruimte is daarbij geen passief decor, maar een actief onderdeel van sociale en politieke processen. Woningen, wijken en centra verankeren keuzes uit het verleden, maar worden tegelijk telkens opnieuw geïnterpreteerd en betwist.

Juist daarom zijn die nieuwe steden een interessant studieobject voor deze themareeks. Ze maken zichtbaar hoe ideeën over maakbaarheid, stedelijkheid en burgerschap verschuiven. Hoe oorspronkelijke idealen – zoals ruimtelijke gelijkheid, collectieve voorzieningen of zelfontplooiing – in de praktijk veranderen, verwateren of juist in nieuwe gedaanten terugkeren. En hoe bewoners zich, soms pas laat, verhouden tot een stad die lange tijd vooral voor hen werd gepland, maar niet door hen werd gemaakt

Nieuwe steden functioneren als ruimtelijke archieven van hun tijd.

Die zichtbaarheid is geen toeval. In tegenstelling tot historische steden, die zich geleidelijk ontwikkelen en waarin ideeën over stadmaken vaak diffuus en gelaagd zijn, beginnen nieuwe steden als expliciet geplande projecten. Ze groeien snel, op grote schaal en in duidelijk afgebakende fasen. Juist daardoor worden dominante opvattingen over maakbaarheid, stedelijkheid en bestuur met uitzonderlijke helderheid ruimtelijk vertaald. Nieuwe steden functioneren zo als ruimtelijke archieven van hun tijd. Omdat zij in korte tijd, maar in opeenvolgende bouwfasen zijn gerealiseerd, zijn verschuivende planningsidealen letterlijk naast elkaar terug te vinden. Wijken uit de jaren zeventig weerspiegelen een andere tijdsgeest dan uitbreidingen uit de jaren tachtig of negentig, met uiteenlopende opvattingen over mobiliteit, schaal, collectiviteit, marktwerking en participatie. Juist die gefaseerde groei maakt zichtbaar hoe dominante ideeën over stadmaken elkaar opvolgen, overlappen en soms tegenspreken.

Deze wederkerigheid tussen ruimte en maatschappij verandert voortdurend; de stad is niet alleen het toneel waarop ontwikkelingen zich afspelen, maar tevens een actief onderdeel van die ontwikkelingen zelf. De stedelijke ruimte -met haar woningen, voorzieningen en verbindingen- is geen neutrale drager van activiteiten, maar de plek waar sociale relaties, instituties en politieke keuzes door de tijd heen materiële vorm krijgen én veranderen.

Een dergelijke lens past goed bij het bestuderen van de nieuwe steden: het toont dat steden niet alleen worden ontworpen, maar ook worden gemaakt in de tijd: door conflicten, compromissen, routines en praktijken die zich in sociale en fysieke structuren vastzetten. Vijftig jaar Almere biedt daarom een kans om die langere lijnen in een generatie van nieuwe steden zichtbaar te maken.

Met deze themareeks wil Rooilijn bijdragen aan het actuele debat over nieuwe steden door historische diepte te combineren met sociaal-ruimtelijke scherpte. De bijdragen in deze reeks verkennen hoe nieuwe steden in de tijd worden gemaakt, welke mechanismen hun ontwikkeling sturen en welke waarden daarin duurzaam blijken en welke onderweg verdwijnen. Door terug te kijken, niet uit nostalgie maar uit analytische noodzaak, willen we het denken over de volgende generatie beoogde steden verdiepen. Want wie nieuwe steden wil bouwen, moet begrijpen hoe steden in de tijd worden bedacht, ontworpen, gemaakt, geleefd, en opnieuw worden gemaakt.

Thema artikelen

artikelen12 min.

Een schaalsprong maakt nog geen stad

Is Alkmaar klaar voor een nieuwe schaalsprong? En wordt het daarmee dan ook meer één stad?

Lees meer
artikelen14 min.

Erfgoedwaarde in alledaagse woonwijken uit de jaren ’70 en ‘80

Woonwijken uit de jaren ’70 en ’80 staan aan de vooravond van renovaties.

Lees meer
Website by HOAX Amsterdam